© Nederlands Jeugdinstituut
Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht
Postbus 19221 • 3501 DE Utrecht
t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12
e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl

Dossier: Media-opvoeding

Televisie, internet en andere media spelen een steeds grotere rol in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Ouderlijke begeleiding is van groot belang om te leren bewust om te gaan met de media.

Inhoudsopgave:



Nieuws

Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over mediaopvoeding en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.

Oudere berichten zijn terug te vinden in het nieuwsarchief van Nieuwsbrief Jeugd.


Feiten en cijfers

De media kunnen veel invloed hebben op kinderen en jongeren. Media vormen een bron van lering en vermaak, maar ze kunnen ook negatieve effecten hebben. Met media-opvoeding kunnen ouders de invloed van de media sturen. Daarover vindt u informatie in dit dossier: wat houdt media-opvoeding in en wat is erover bekend? Daarnaast komt het mediagebruik door kinderen en jongeren aan de orde, evenals de positieve en negatieve effecten die de media op hen kunnen hebben.

Doelgroep

De informatie in dit dossier is vooral bedoeld voor beroepskrachten die ondersteuning bieden aan opvoeders, bijvoorbeeld in de ambulante thuisbegeleiding, in leefgroepen en residentiële instellingen, in het onderwijs of bij Centra voor Jeugd en Gezin en GGD's. Daarnaast kunnen opvoeders zelf hun voordeel doen met de informatie.


Definitie en functie

Media-opvoeding vormt een onderdeel van de dagelijkse opvoeding door ouders. Bij media-opvoeding gaat het erom dat ouders ervoor zorgen dat hun kinderen uiteindelijk: 

Met de term 'media-opvoeding' wordt meestal de omgang bedoeld met audiovisuele media, zoals films, televisie, radio, internet, games en mobiele telefonie. Het omgaan met kranten, tijdschriften en boeken behoort echter ook tot de media-opvoeding.

Drie vormen van begeleiding

Media-opvoeding kent drie varianten. Uit onderzoek blijkt dat zij alledrie zowel bij televisiekijken als bij gamen en internetten effectief kunnen zijn:

Mediagedrag in goede banen leiden

In de afgelopen jaren is het gebruik van media en het bezit van audiovisuele apparaten door kinderen en jongeren sterk toegenomen. Steeds meer kinderen hebben op jonge leeftijd al een eigen televisietoestel, een computer of laptop en een high-tech mobieltje. Gemiddeld besteden kinderen en jongeren tegenwoordig enkele uren per dag aan televisiekijken, gamen en internetten. De tijd die zij besteden aan lezen neemt de laatste jaren juist af. Media-opvoeding is erop gericht het mediagedrag van kinderen en jongeren in goede banen te leiden.

Leren van de media

Media-opvoeding door hun ouders is voor kinderen van belang omdat het hen kan helpen bewust om te gaan met het enorme aanbod van mediaproducten. Media-opvoeding thuis is waarschijnlijk zelfs belangrijker dan media-educatie op school. Als ouders van jongsaf aan hun kinderen bijvoorbeeld stimuleren tot lezen, kan dat ertoe bijdragen dat kinderen meer plezier krijgen in lezen en dat ze betere lezers worden. Selectief kiezen voor bepaalde tv-programma's, films of games en een gerichte interesse van ouders voor wat hun kinderen op internet doen, kan er ook toe bijdragen dat kinderen positieve invloeden van de media ondervinden. Ze kunnen daardoor meer leren van de media waarmee ze zich vermaken.

Riskant mediagebruik

Als de media-opvoeding thuis tekortschiet kan het mediagebruik door kinderen en jongeren risico's met zich meebrengen. Dan zijn er twee gevaren:

Mediawijsheid

Media-opvoeding hangt nauw samen met 'mediawijsheid', een term die de Raad voor Cultuur heeft geïntroduceerd in een advies in 2005. De raad bedoelt daarmee: 'het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteiten waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld'. Volgens de raad is mediawijsheid niet alleen voor kinderen en jongeren noodzakelijk, maar dient iedere burger mediawijs te zijn. Daarom is in 2008 het Mediawijsheid-expertisecentrum opgericht. Dat centrum is niet alleen bedoeld voor kinderen en ouders maar ook voor bijvoorbeeld docenten en mediaprofessionals. Het expertisecentrum is nog in ontwikkeling en wordt aangestuurd door vijf organisaties, waaronder de publieke omroepen en de openbare bibliotheken.
Meer informatie over het Mediawijsheid-expertisecentrum

Bronnen

Raad voor Cultuur (2005), 'Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap'. Den Haag, Raad voor Cultuur. Te downloaden via de website van de Raad voor Cultuur.


Cijfers

Gegevens over media-opvoeding door ouders worden in Nederland niet systematisch verzameld. Hoewel bekend is dat kinderen en jongeren volop gebruikmaken van het enorme aanbod van allerlei media, is het onderzoek naar de ouderlijke bemoeienis daarmee fragmentarisch. Tot nu toe is de ouderlijke media-opvoeding in Nederland vooral per medium onderzocht; er is nauwelijks onderzoek naar de ouderlijke begeleiding bij het gebruik van verschillende media. Verder hebben die studies betrekking op de begeleiding van kinderen van verschillende leeftijden, waardoor het lastig is om een goed overzicht van media-opvoeding te krijgen. Overigens is in Vlaanderen de media-opvoeding wel eens bij verschillende media tegelijk onderzocht (Van den Bergh en Van den Bulck 2001).

Samen tv-kijken

De mate waarin Nederlandse ouders het televisiekijken van hun kinderen begeleiden is vooral onderzocht in de jaren negentig van de vorige eeuw. Internet en games waren toen nog niet zo prominent aanwezig. Uit die televisiestudies komt steevast naar voren dat ouders vooral aan 'gezamenlijke mediabeleving' doen. Zeer regelmatig kijken zij samen met hun kinderen televisie. In iets mindere mate zijn ouders geneigd om 'actief te begeleiden' en met hun kinderen te praten over wat er goed of fout is aan tv-programma's. Afspraken maken en programma's verbieden (restrictieve begeleiding) komt relatief het minst vaak voor. Ook uit de meest recente studie naar media-opvoeding bij het televisiekijken, waarbij het ging om ouders van 10- tot 14-jarige kinderen, blijkt dat samen kijken het meest voorkomt en restrictieve begeleiding het minst (Koolstra en Lucassen 2004). De komst van internet en games lijkt de begeleiding bij het televisiekijken dus niet wezenlijk veranderd te hebben.

Jongeren vooral zelfstandig op internet

De mate waarin ouders het internetgedrag van hun 13- tot 18-jarige kinderen begeleiden is in 2007 onderzocht door het Sociaal en Cultureel Planbureau (Duimel en De Haan 2007). Samen internetten door ouders en kinderen komt bij deze leeftijdsgroep relatief weinig voor; de meeste jongeren zijn zelfstandig op internet. Naarmate ze ouder worden doen ze dat ook steeds meer op een eigen computer op hun slaapkamer. Actieve begeleiding geven ouders bij het internetten ook niet vaak: slechts één op drie ouders praat regelmatig met de jongere over wat hij op internet doet. De rest van de ouders doet dat nooit of minder dan eens per week. Verder wijst slechts 20 tot 40 procent van de ouders op de (on)betrouwbaarheid van informatie op internet of op de gevaren van geweld, porno en racisme. Het enige waar ouders wel oog voor hebben zijn de mogelijke gevaren van informatie over jezelf op internet prijsgeven. Een ruime meerderheid van de ouders (57 procent) wijst hun zoon of dochter daar wel eens op.

Afspraken over internetgebruik

Ouders stellen wel vaak duidelijke regels over het maken van afspraakjes via internet en over hoe lang, wanneer en naar welke websites gesurft mag worden; 35 tot 45 procent van de ouders heeft hierover regels met hun kinderen opgesteld. Net als bij het onderzoek naar televisiebegeleiding is het echter de vraag of de ouderlijke media-opvoeding overkomt bij de kinderen. Een aanzienlijk kleiner percentage jongeren dan hun ouders beaamt dat zij de afspraken naleven. De meerderheid van de ouders (56 procent) zegt het internetgedrag niet te controleren, omdat zij hun kind vertrouwen.

Afspraken over games

De bemoeienis van ouders met het gamegedrag van hun 4- tot 18-jarige kinderen is in kaart gebracht door Nikken (2003). Bij het spelen van games komt de restrictieve begeleiding het meest voor. Zo controleert 63 procent van de ouders regelmatig welke leeftijdsclassificatie een spel heeft, 56 procent let erop welke spellen hun kinderen spelen en 46 procent laat hun kinderen toestemming vragen om bepaalde spellen te mogen spelen. Een kwart tot ruim een derde van de ouders bespreekt de inhoud van de games met hun kinderen. De ouders geven uitleg en wijzen op de goede en slechte kanten van een game of op de onechtheid ervan (actieve begeleiding). Regelmatig samen met de kinderen games spelen komt relatief het minst vaak voor; dat doet slechts één op de acht ouders.

Media-opvoeding niet altijd herkenbaar

Uit het onderzoek naar media-opvoeding komt meestal naar voren dat ouders meer dan hun kinderen aangeven dat zij het mediagebruik begeleiden. Mogelijk overschatten ouders hun gedrag of doen zij zich in het onderzoek beter voor. Maar het is ook mogelijk dat ouders beter dan kinderen kunnen inschatten of zij werkelijk aan media-opvoeding doen. Praten over televisie, internet of over games, of samen kijken, gamen of surfen is in de ogen van kinderen niet altijd herkenbaar als een bewuste vorm van media-opvoeding. Mogelijk onderschatten zij de invloed van hun ouders.

Moeders doen meer aan media-opvoeding

Moeders geven in het algemeen aan dat zij de media-opvoeding meer voor hun rekening nemen dan vaders. Dat wordt vaak herkend door de kinderen. Dat moeders meer actief zijn geldt vooral bij televisiekijken en gamen. Of er ook verschillen zijn bij de begeleiding van internetten door vaders en moeders is niet bekend. Wel weten we uit het SCP-onderzoek dat vaders meer betrokken zijn bij het oplossen van problemen met de computer en bij het installeren van filters en andere technische applicaties. Dat moeders hun kinderen vaker begeleiden bij gamen en tv-kijken komt mogelijk doordat zij in het algemeen meer bezorgd zijn over invloeden van de media dan vaders. Die zorg vertaalt zich ook in de verschillende begeleiding van jongens en meisjes. Bij meisjes zijn ouders meestal meer geneigd om het televisiekijken, internetten of gamen in de gaten te houden dan bij jongens.

Oudere kinderen zijn meer autonoom

Ouders zijn ook meer geneigd om het mediagedrag van jonge kinderen te begeleiden dan van oudere kinderen. Naarmate de kinderen ouder worden en zeker als zij over een eigen tv-toestel beschikken neemt de ouderlijke bemoeienis bij het televisiekijken snel af. Er wordt minder vaak samen gekeken, er zijn minder regels en ouders bespreken minder vaak wat er op televisie te zien is met hun kinderen. Hetzelfde geldt voor het gamen. Naarmate kinderen ouder worden zijn zij steeds autonomer in hun keuze van games, krijgen ze minder commentaar en wordt er ook minder vaak bewust samen gespeeld.

Opleidingsniveau maakt uit

In diverse studies is gevonden dat hogeropgeleide ouders het televisiekijken van hun kinderen meer in de gaten houden en vaker met hun kinderen over tv-programma's praten. Bij het gamen bleek dat patroon juist andersom: minder hoogopgeleide ouders bemoeien zich wat vaker met het spelgedrag van hun kinderen dan hoogopgeleide ouders (Nikken en Jansz 2006). Mogelijk komt dit doordat het gamen in lageropgeleide gezinnen meer gemeengoed is voor ouders en kinderen dan in hogeropgeleide gezinnen.

In een recent onderzoek onder circa 200 Nederlandse ouders en kinderen van 10 tot 14 jaar bleek eveneens dat het opleidingsniveau van de ouders een doorslaggevende factor vormt voor hun mediaopvoeding (Van den Berg, Jager en Gillebaard, 2010). De onderzoekers typeren de ouders op basis van hun opleidingsniveau en hun ervaring met de media als Onwetende, maar welwillende consumenten; Roekeloze prosumenten; Behoudende consumenten; en Gemakzuchtige prosumenten. De Roekeloze prosument verdient veel andacht, omdat zij relatief weinig aan mediaopvoeding doen maar zij en hun kinderen wel veel gebruik maken van de media.

Bronnen

Duimel, M. en J. De Haan (2007), 'Nieuwe links in het gezin: de digitale leefwereld van tieners en de rol van hun ouders'. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Koolstra, C. en N. Lucassen (2004), 'Viewing behavior of children and TV guidance by parents: a comparison of parent and child reports', in: 'Communications', 29, p.179-198.

Nikken, P. (2003), 'Videogames in het gezin'. Hilversum, NICAM.

Nikken, P. en J. Jansz (2006), 'Parental mediation of children's videogame playing: A comparison of the reports by parents and children', in: 'Learning, Media and Technology', 31, p.181-202.

Van den Berg, B. Jager, C.J. en Gillebaard, H. (2010), 'Behoeftenonderzoek Mediawijsheid'. Utrecht, Dialogic.

Van den Bergh, J. en J. van den Bulck (red.) (2001), 'Children and media: Multidisciplinary approaches'. Leuven, Garant Publishers.


Effectiviteit van media-opvoeding

Hieronder volgt een overzicht van wat er bekend is uit onderzoek naar media-opvoeding. Zowel in Nederland als in het buitenland zijn diverse studies uitgevoerd naar de mogelijke effectiviteit van media-opvoeding door ouders. Helaas moet hierbij opgemerkt worden dat het onderzoek vooralsnog een beperkt beeld geeft. Daar zijn verschillende redenen voor:

Restrictieve begeleiding meestal effectief 

Restrictieve begeleiding lijkt in het algemeen effectief bij het tegengaan van mogelijke negatieve effecten van de media. Door duidelijke afspraken te maken over hoe lang en wanneer kinderen achter een beeldscherm mogen zitten kunnen kinderen leren dat andere bezigheden als slapen, huiswerk maken, spelen, muziek maken en bewegen ook belangrijk zijn. Bovendien leren kinderen daardoor van jongsaf aan dat er beperkingen zijn aan hun mediagebruik; niet alle mediaproducties zijn voor hen geschikt. Uit onderzoek blijkt dat in gezinnen waar de ouders het computergebruik van hun kinderen controleren of bepaalde websites verbieden, de kinderen inderdaad minder ervaring hebben met vervelende contacten via e-mail of chatsites dan kinderen van minder restrictieve ouders (Livingstone en Helsper 2008). Ook is bekend dat als ouders het televisiekijken of gamen aan banden leggen of controleren hun kinderen minder vaak computerspelletjes spelen waar ze nog te jong voor zijn, dat ze zich socialer en minder gewelddadig gedragen, minder angstreacties vertonen bij geweld in het nieuws en minder snel instemmen met mediageweld (Nikken 2007). Amerikaanse jongeren bij wie het televisiekijken aan banden is gelegd hebben ook minder ervaring met seks dan jongeren die ongelimiteerd televisie mogen kijken (Schooler, Kim en Sorsoli 2006; Bersamin en anderen 2008).

Soms is beperken of verbieden contraproductief

Tegelijkertijd blijkt dat restrictieve begeleiding soms geen effect heeft of zelfs contraproductief kan zijn. Dit lijkt vooral zo te zijn als kinderen ondanks het ouderlijk verbod toch weet krijgen van de verboden mediaproducten of wanneer zij er niet helemaal van weggehouden kunnen worden. Zo bleken kinderen die niet mochten kijken naar ernstig nieuws, zoals de moord op Theo van Gogh, juist meer angstreacties te vertonen en zich meer zorgen te maken dan kinderen die niet beperkt werden in het kijken naar het nieuws (Buijzen en anderen 2007). Mogelijk wisten deze kinderen dat er iets erg was gebeurd en had extra informatie hen gerust kunnen stellen. Volgens een andere studie was de wens van kinderen om producten uit reclames te hebben even groot in gezinnen waar ouders hun kinderen weghouden van tv-reclame als in gezinnen waar kinderen wel naar reclames mochten kijken (Buizen en Valkenburg 2005). Volgens de onderzoekers kwam dit doordat het onmogelijk is kinderen geheel reclamevrij op te voeden; er is altijd wel ergens reclame.

Actieve begeleiding is effectief

De actieve inmenging van ouders met het mediagedrag van hun kinderen is het meest onderzocht, ook in enkele experimentele studies. De meeste studies wijzen op de effectiviteit van actieve begeleiding. Als ouders met hun kinderen praten over beelden op televisie of internet of in games en daarbij informatie, uitleg en hun eigen mening geven is dat bevorderlijk voor wat kinderen van die media opsteken. Kinderen leren meer van educatieve en informatieve producties als hun ouders hen daarbij helpen. Door kennis, meningen en gevoelens onder woorden te brengen helpen ouders hun kinderen programma's te begrijpen en te verwerken. Bovendien kan kritisch ouderlijk commentaar kinderen ook helpen om zelf kritischer naar de games of websites te kijken.

Kritische blik ontwikkelen

Onderzoek laat zien dat kinderen die actief begeleid worden kritischer en meer betrokken zijn bij de nieuwsberichtgeving, gespeeld geweld minder serieus nemen, zich meer bewust zijn van het geweld in de samenleving en minder angstreacties of zorgen vertonen bij berichtgeving over ernstige nieuwsfeiten (Nikken 2007a). Daarnaast wijst Nederlands onderzoek uit dat actieve begeleiding ertoe kan bijdragen dat kinderen een minder materialistische houding aannemen doordat zij kritischer worden over producten in tv-reclames (Mens en Buijzen 2006; Buizen 2007; Buijzen en anderen 2008). Ook vragen kinderen die actief begeleid worden wat minder vaak om producten uit reclames (Buizen en Valkenburg 2005). Verder kan actieve begeleiding ook invloed hebben op de mogelijke effecten van seks in op televisie of internet. Nederlandse jongens en meisjes in het voortgezet onderwijs gaan minder snel akkoord met extreem seksueel gedrag wanneer hun ouders het gebruik van televisie en internet begeleiden (Nikken 2007b), terwijl meisjes dan ook minder vaak seksuele ervaring hebben (Schooler en anderen 2006; Nikken 2007b).

Gezamenlijke mediabeleving nog weinig onderzocht

Het effect van de gezamenlijke beleving van mediaproducties door ouders en kinderen is minder vaak onderzocht dan de effectiviteit van restrictieve of actieve begeleiding. Deels komt dit doordat sommige onderzoekers vinden dat het samen kijken, gamen of surfen niet als begeleiding mag worden beschouwd, omdat het niet altijd bewust gebeurt (Valkenburg en anderen 1999). Soms is het inderdaad zo dat ouders en kinderen 'toevallig' dezelfde interesses hebben en daarom samen kijken, gamen of surfen. Toch is er alle reden om de gezamenlijke mediabeleving wel te onderzoeken als vorm van media-opvoeding. Het is immers aannemelijk dat wanneer ouders in de buurt van hun kinderen zijn, zelfs als dat toevallig is, dat toch van invloed is op de manier waarop kinderen de media beleven. Samen kijken, surfen en gamen is gezellig en helpt kinderen om meer bewuste keuzes te maken voor mediaproducties. Voor ouders heeft het samen kijken, surfen en gamen bovendien als voordeel dat ze een goed beeld krijgen van wat hun kinderen in de media tegenkomen. Verder is samen kijken, gamen, surfen of lezen van belang omdat kinderen zich dan veel meer op hun gemak voelen. Vooral voor jongere kinderen is het bij beangstigende beelden belangrijk dat er een volwassene in de buurt is. Die geborgenheid biedt kinderen troost en geruststelling (Cantor 2003; Moyer-Gusé en Smith 2007). Non-verbale communicatie kan tussen neus en lippen door duidelijk maken hoe de informatie in de media geïnterpreteerd moet worden (Moyer-Gusé en Smith 2007). Het samenzijn zorgt er, zeker bij jongere kinderen, voor dat ze met meer concentratie een game spelen of kijken naar een programma of website. Daardoor kunnen kinderen meer leren van de media.

Samen kijken en gamen kan contraproductief zijn

Voor zover het onderzoek naar de gezamenlijke mediabeleving het toelaat, lijkt het erop dat meekijken of samen gamen of internetten niet altijd tot positieve effecten leidt: het kan zelfs contraproductief zijn. Kinderen die rapporteren dat zij vaak samen met hun ouders televisiekijken of games spelen, neigen meer naar agressief gedrag, keuren mediageweld eerder goed, spelen vaker games waar ze nog te jong voor zijn en denken vaker dat hun ouders het geweld ook goedkeuren (Nikken 2007). Uit deze studies blijkt echter niet of de gedrags- en houdingseffecten bij kinderen het gevolg zijn van het regelmatig samen kijken of gamen, of dat ouders door het gedrag van hun kinderen besluiten tot vaker meekijken of meespelen. De eerste verklaring is echter wel voor de hand liggend, omdat uit onderzoek bij televisiekijken en gamen ook gebleken is dat ouders vooral meekijken of samen spelen als zij minder zwaar tillen aan de mogelijke negatieve effecten van de media (onder anderen Nikken en Jansz 2006).

Bronnen

Bersamin, M., M. Todd, D. Fisher, D. Hill, J. Grube en S. Walker (2008), 'Parenting practices and adolescent sexual behavior: a longitudinal study', in: 'Journal of Marriage and Family', 70, p.97-112.

Buijzen, M. (2007), 'Reducing children’s susceptibility to commercials: mechanisms of factual and evaluative advertising interventions', in:. 'Media Psychology', 9, p.411-430.

Buizen, M. en P. Valkenburg (2005), 'Parental mediation of undesired advertising effects', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 49, p.153-165.

Buijzen, M., J. Walma van der Molen en P. Sondij (2007), 'Parental mediation of children’s emotional responses to a violent news event', in: 'Communication Research', 34, p.212-230.

Buijzen, M., E. Rozendaal, M. Moorman en M. Tanis (2008), 'Parent versus child reports of parental advertising mediation: exploring the meaning of agreement', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 52, p.509-525.

Cantor, J. (2003), 'Media and fear in children and adolescents', in: D. Gentile (red.), 'Media violence and children: a complete guide for parents and professionals', p.185-203. Westport, Praeger Publishing.

Livingstone, S. en E. Helsper (2008), 'Parental mediation of children’s internet use', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 52, p.581-599.

Mens, C. en M. Buijzen (2006), 'Interventie van reclame gericht op kinderen: een experimenteel onderzoek naar de meest effectieve interventiestrategie', in: 'Tijdschrift voor Communicatiewetenschap', 34, p.321-355.

Moyer-Gusé, E. en S. Smith (2007), 'TV news and coping : parents’ use of strategies for reducing children’s  news-induced fears', in: D. Lemish en M. Götz (red.), 'Children and media at times of conflict and war', p.267-286. Cresskill, Hampton Press.

Nikken, P. (2007a), 'Mediageweld en kinderen'. Amsterdam, SWPbooks.

Nikken, P. (2007b). 'Jongeren, media en seksualiteit: Hoe media-interesses en gebruik samenhangen met fantasieen, opvattingen en gedrag'. Utrecht, Nederlands Jeugdinstituut.

Nikken, P. en J. Jansz (2006), 'Parental mediation of children’s videogame playing: a comparison of the reports by parents and children', in: 'Learning, Media and Technology', 31, p.181-202.

Schooler, D., J. Kim en L. Sorsoli (2006), 'Setting rules or sitting down: parental mediation of television consumption and adolescent self-esteem, body image, and sexuality', in: 'Sexuality Research and Social Policy: a journal of the NSRC, 3, p.49-62.

Valkenburg, P., M. Krcmar, A. Peeters en N. Marseille (1999), 'Developing a scale to assess three styles of television mediation: instructive mediation, restrictive mediation, and social coviewing', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 43, p.52-66.


Positieve effecten van de media

Als ouders regelmatig media-opvoeding toepassen neemt de kans op positieve effecten van het mediagebruik bij hun kinderen toe:

Zes voordelen

Uiteindelijk kan regelmatige media-opvoeding leiden tot zes belangrijke voordelen voor de ontwikkeling van kinderen:


Te weinig media-opvoeding

In populaire publicaties wordt de huidige generatie kinderen en jongeren nogal eens gekarakteriseerd als zeer ervaren mediagebruikers. Ze worden aangeduid als de generatie M, Google-kids of de generatie Einstein. Al 'multitaskend' zouden kinderen allerlei media tegelijk kunnen gebruiken en begrijpen. Met gemak zouden zij hun ouders voorbij surfen.

Gebrek aan ervaring en tijd

Dat laatste valt in de praktijk vaak wel mee, maar in het algemeen hebben ouders ten opzichte van hun kinderen inderdaad minder ervaring met moderne media als mobieltjes, games en sommige computertoepassingen. Ook hebben de meeste ouders geen tijd om zich te verdiepen in alle tv-programma's die hun kinderen zien. Daardoor kan het lastig zijn om hun kinderen daarbij te begeleiden. Soms denken ouders dat ze te weinig van bepaalde media of programma's afweten om er met hun kinderen over te kunnen praten. In moderne tekenfilms of online games zijn de verhaallijnen bijvoorbeeld tamelijk gecompliceerd. Ouders zouden er een dagtaak aan hebben om zich daarin uitgebreid te verdiepen. 

Opvattingen over effecten van de media

Er zijn ouders die zich weinig zorgen maken over negatieve effecten van de media op hun kinderen en er zijn ouders die juist menen dat de media een weinig positieve uitwerking op kinderen hebben. Die houding is bepalend voor de mate waarin ouders zich bemoeien met het mediagebruik van hun kinderen. Uit onderzoek naar de media-opvoeding bij televisiekijken, gamen en internetten blijkt dat er een duidelijke samenhang bestaat tussen de ideeën die ouders hebben over de gevaren en kansen van de media en de mate waarin zij het mediagedrag van hun kinderen begeleiden (Duimel en De Haan 2007; Nikken, Jansz en Schouwstra 2007). Ouders die zich meer zorgen maken over de risico's van de media zijn in het algemeen geneigd om meer aan media-opvoeding te doen. Zij treden dan vooral restrictief op en nemen meer voorzorgsmaatregelen. Daarnaast praten bezorgde ouders ook vaker met hun kinderen over tv-programma's en games. Bezorgde ouders wijzen vaker op wat er goed of slecht is en leggen vaker uit hoe je de media kunt interpreteren. Ouders met een meer positieve kijk op de media zijn in het algemeen geneigd om vaker samen met de kinderen te kijken of te gamen.

Buiten het zicht van ouders

Soms is er in gezinnen weinig media-opvoeding doordat de kinderen de media vooral buiten het zicht van hun ouders gebruiken. Dit komt steeds vaker voor, omdat veel kinderen al op jonge leeftijd een eigen televisie of computer op hun slaapkamer hebben. Ook kunnen ze bij hun vriendjes gamen, internetten en tv-kijken. Dat gebeurt vaker naarmate kinderen ouder worden. Met het voortschrijden van de techniek worden de media ook steeds individueler. Met moderne mobieltjes kunnen kinderen naar de radio luisteren en videobeelden bekijken. En spelconsoles bieden kinderen de mogelijkheid om via internet films op te halen en informatie uit te wisselen met hun vrienden. Ook dat kan tegenwoordig overal.

Opleidingsniveau en gezinsklimaat

Doorgaans zeggen ouders met een hogere opleiding dat zij meer betrokken zijn bij het mediagedrag van hun kinderen dan ouders die een minder hoge opleiding hebben genoten. Hoger opgeleide ouders letten wat vaker op welke programma's hun kinderen mogen zien en praten ook vaker met hun kinderen over wat er goed of slecht is aan bepaalde producties. Daarbij zijn moeders wat meer dan vaders geneigd om zich met de media-opvoeding te bemoeien. Een laatste factor die een rol speelt bij de mate waarin ouders aan media-opvoeding doen is het gezinsklimaat. Kinderen die een wat minder goed contact hebben met hun ouders lopen extra risico om door de media beïnvloed te worden, omdat ze minder begeleid worden door hun ouders en zelfstandiger kiezen voor tv-programma's, films, websites en games.

Bronnen

Duimel, M. en J. de Haan (2007), 'Nieuwe links in het gezin: de digitale leefwereld van tieners en de rol van hun ouders'. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Nikken, P., J. Jansz en S. Schouwstra (2007), 'Parents' interest in videogame ratings and content descriptors in relation to game mediation', in: 'European Journal of Communication' 3, p.5-336.


De noodzaak van media-opvoeding

Media-opvoeding is geen overbodige luxe. De meeste kinderen besteden veel tijd aan tv-kijken, surfen of msn'en op internet, sms'en met hun mobieltje en het spelen van computerspelletjes. Doorgaans zijn dit zorgeloze vormen van vermaak of nuttige manieren om kennis te verzamelen en uit te wisselen. Maar bij overmatig of verkeerd gebruik bestaan er diverse risico's.


Mediagebruik door kinderen en jongeren

Dat kinderen met het enorme aanbod van tv-programma's, films, games en internet heel wat uren met de audiovisuele media doorbrengen staat buiten kijf. Net als hun ouders maken kinderen en jongeren tegenwoordig veel meer gebruik van media dan vroeger, terwijl jongeren nog geen halfuur per dag lezen (De Vries 2007). Het mediagebruik van kinderen en jongeren is van belang voor hun ontwikkeling. Er zijn minstens zes voordelen aan te wijzen:

Versnipperd onderzoek naar het mediagebruik

Hoeveel tijd kinderen en jongeren dagelijks precies met de media doorbrengen is moeilijk aan te geven. Dat komt doordat verschillende bureaus en organisaties in ons land verschillende onderdelen van het mediagebruik in kaart brengen. Cijfers over het televisiekijken van kinderen staan daardoor bijvoorbeeld los van cijfers over hun gamegedrag. Andere problemen zijn dat verschillende leeftijdsgroepen worden bevraagd, en dat het mediagebruik niet altijd continu wordt onderzocht. Sommige bureaus meten bijvoorbeeld dagelijks, andere eens per jaar en weer andere eens per vier jaar. Tot slot is het ook lastig dat verschillende vormen van rapportage gebruikt worden. Daardoor zijn gegevens niet altijd goed te vergelijken.

HBSC-onderzoek

Er zijn twee overzichtsstudies waarin gekeken is naar het gebruik van verschillende media op een gemiddelde dag door kinderen en jongeren. Het eerste onderzoek is het HBSC-project (Health-Behavior-School-Children). Dit project is een vierjaarlijks Europees onderzoek naar de gezondheid en leefstijl van scholieren. In Nederland wordt het HBSC-onderzoek uitgevoerd door de Universiteit Utrecht, het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Trimbos-instutuut. Het HBSC-onderzoek wordt landelijk afgenomen in groep 8 van het basisonderwijs en de klassen 1 tot en met 4 van het voortgezet onderwijs; het gaat dus om kinderen en jongeren van 11 tot en met 17 jaar. De meest recente cijfers in de tabel hieronder dateren uit 2005. Opgemerkt moet worden dat de leerlingen voor elk van de bezigheden apart een schatting hebben gemaakt van hun tijdsbesteding. Daarom kunnen de tijden niet bij elkaar opgeteld worden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat kinderen tegelijkertijd televisiekijken en op de computer bezig zijn.

Tijdsbesteding kinderen aan media in minuten per dag in 2005

Groep 8 primair onderwijs

Klas 1 - 4 voortgezet onderwijs

Jongens

Meisjes

Totaal

Jongens

Meisjes

Totaal

Televisiekijken

156

144

150

192

174

180

Gamen

120

72

96

150

54

102

Internetten (msn/chat/ e-mail/surfen)

96

96

96

156

162

156

Bron: Dorsselaer e.a. (2007); voor de vergelijking zijn in deze tabel uren per dag omgerekend naar minuten per dag.

SPOT-onderzoek

Het 'SPOT-onderzoek' is de tweede overzichtsstudie naar het gebruik van verschillende media op een gemiddelde dag. SPOT is een door adverteerders in het leven geroepen stichting die via dagboekjes bijhoudt aan welke 'media-activiteiten' tijd besteed wordt door de Nederlandse bevolking. Het nadeel van dit onderzoek is dat de gegevens van kinderen bij relatief kleine groepen zijn verzameld. Het voordeel is dat de gegevens voor de verschillende media elkaar aanvullen en dat kinderen al vanaf 6 jaar meedoen aan het onderzoek.

Tijdsbesteding aan media door kinderen in minuten per dag in 2008

6-9 jaar
(n=157)

10-12 jaar (n=187)

13-16 jaar (n=100)

17-19 jaar
(n=73)

Televisiekijken

70

110

92

121

Gamen op console

4

5

10

0

Gameboy spelen 

15

10

3

3

Gamen op pc

17

35

25

25

Chatten/msn'en

4

26

35

58

Surfen

13

19

25

29

Muziek luisteren

1

5

12

17

Bellen/sms'en

0

1

3

4

Totaal

124

211

205

257

Bron: SPOTtime (2008)

Televisiekijken

Volgens de HBSC-cijfers besteedden kinderen en jongeren van 11 tot 18 jaar in 2005 ongeveer tweeënhalf tot drie uur per dag aan tv-kijken. Dat is meer dan uit andere studies blijkt, zoals die van SPOT. Stichting KijkOnderzoek, die dagelijks minutieus bijhoudt welke tv-programma's door personen van 6 jaar en ouder worden bekeken, rapporteert dat kinderen van 6 tot 12 jaar in 2008 gemiddeld per dag 112 minuten televisiekeken (SKO 2009). In 2007 was dat nog 4 minuten meer. Jongeren van 13 tot 19 jaar keken volgens SKO in 2008 ook gemiddeld 112 minuten per dag; in het jaar daarvoor was dat nog 122 minuten. Het is mogelijk dat kinderen en jongeren tegenwoordig minder tijd besteden aan de televisie dan in voorgaande jaren. Het verschil in de gevonden kijktijden kan echter ook te maken hebben met de wijze waarop de gegevens zijn verzameld. In het HBSC-onderzoek hebben de kinderen hun mediagedrag achteraf ingeschat, in andere studies is het via dagboekjes bijgehouden.

Gamen

Zoals het HBSC-onderzoek laat zien nam het gamen in 2005 bij kinderen en jongeren ruim anderhalf uur per dag in beslag. Die cijfers stemmen overeen met eerder onderzoek bij een ruime landelijke steekproef van ouders van kinderen van 8 tot 18 jaar (Nikken 2003). Ander onderzoek naar het gamegedrag in Nederland wijst erop dat kinderen mogelijk veel minder tijd aan computerspelletjes besteden. Volgens het SPOT-onderzoek varieert de tijd besteed aan gamen op de pc, console of gameboy tussen een halfuur en vijftig minuten per dag. Ook TNS Nipo meldt dat het Nederlandse publiek in 2008 zo'n vier uur per week aan gamen besteedde, dus ruim een halfuur per dag. Elk jaar verricht TNS Nipo onderzoek naar het gamegedrag van personen van 8 jaar en ouder, in samenwerking met Newzoo, een bedrijfsadviesbureau voor de game-industrie.

Bezit van computer en mobiele telefoon 

Het bezit en dagelijks gebruik van een computer is voor jongeren gemeengoed. Dat blijkt uit recente publicaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Duimel en De Haan 2007; Jehoel-Gijsbers 2009). Vrijwel alle gezinnen met kinderen vanaf 8 jaar beschikken over minstens één computer met internetaansluiting. Alleen in bijstandsgezinnen blijft het computerbezit en de mogelijkheid om te internetten achter. Verder heeft vrijwel iedere jongere tegenwoordig ook een eigen mobiele telefoon, meestal met een prepaid abonnement. Een ruime meerderheid van de jongeren heeft ook een eigen pc en een eigen spelcomputer.

Internetten

De cijfers van het HBSC-onderzoek laten zien dat kinderen en jongeren volgens hun eigen inschatting in 2005 anderhalf tot ruim tweeënhalf uur per dag internetten. Het SPOT-onderzoek komt in 2008 tot lagere cijfers bij vergelijkbare leeftijdgroepen. Volgens de bijgehouden dagboekjes internetten kinderen nog geen uur per dag en besteden jongeren er dagelijks een uur aan. Die cijfers komen meer overeen met de recente cijfers van het SCP (Duimel en de Haan 2007). Kinderen van 8 tot 12 jaar zitten volgens die studie gemiddeld 3,3 uur per week achter de computer en jongeren vanaf 12 jaar 10,8 uur per week. Dat komt neer op circa een half tot anderhalf uur computertijd per dag.

Verschillen per kind

Het mediagedrag kan sterk verschillen per kind. Zoals hiervoor al aangeduid neemt het mediagebruik met de leeftijd toe. Uit de gegevens van SPOT blijkt dat kinderen van 6 tot 9 jaar ruim twee uur per dag aan de media besteden. Jongeren van 17 tot 19 jaar maken dagelijks vier uur en een kwartier vrij voor de media. De toename van het mediagebruik is deels toe te schrijven aan meer televisiekijken, maar vooral aan het sterk toegenomen chatten, msn'en en surfen op de computer. Jongens besteden in het algemeen meer tijd aan televisiekijken en gamen dan meisjes. Met name als de jongens ouder worden gaan zij veel meer tijd besteden aan het spelen van games. Bij meisjes neemt het spelen van games daarentegen juist af wanneer zij ouder worden.

Verschillen per opleiding en etniciteit

Volgens het SCP verschilt de gemiddelde tijdsbesteding aan elektronische media nauwelijks tussen kinderen in arme gezinnen en kinderen in niet-arme gezinnen. Het HBSC-onderzoek wijst wel uit dat allochtone jongeren per dag aanzienlijk langer televisiekijken dan autochtone jongeren; gemiddeld kijken ze 45 minuten langer per dag. Ook zijn ze langer online. Verder besteden leerlingen uit het vmbo-b-onderwijs (beroepsgerichte leerweg) aanzienlijk meer tijd aan alle media dan vwo-leerlingen. Het verschil in tijdsbesteding voor deze groepen kan oplopen tot gemiddeld ongeveer een uur per dag.

Bronnen

Dorsselaer S van, Zeijl E, Eeckhout S van den, Bogt T ter, Vollebergh W (2007). HBSC 2005. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht: Trimbos-instituut.

Duimel, M. en J. de Haan (2007), 'Nieuwe links in het gezin: de digitale leefwereld van tieners en de rol van hun ouders'. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Jehoel-Gijsbers, G. (2009), 'Kunnen alle kinderen meedoen? Onderzoek naar de maatschappelijke participatie van arme kinderen'. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Nikken, P. (2003), 'Ouderlijke zorgen over het "gamen" van hun kinderen', in: 'Pedagogiek', 23, p.303-317.

SKO (2009), 'Jaarrapport 2008'. Hilversum, Stichting KijkOnderzoek.

Vries, N. de (2007). Lezen we nog? Een inventarisatie van onderzoek op het gebied van lezen en leesbevordering. Amsterdam, Stichting Lezen.


Risico's van veel mediagebruik

Voor een gezonde ontwikkeling is het goed als kinderen een gevarieerde tijdsbesteding hebben. Voldoende slaap, spelen, huiswerk maken en contacten met anderen zijn belangrijk om sociaal en emotioneel goed te kunnen functioneren. Met het toenemend mediagebruik lopen kinderen echter het risico dat hun tijdsbesteding uit balans raakt. Vooral bij het internetten en gamen is de kans groot dat kinderen niet kunnen stoppen. Ouders doen er daarom goed aan het mediagebruik van hun kinderen in de gaten te houden en zo nodig bij te stellen.

Vooral een risico bij peuters?

Diverse onderzoekers suggereren dat overmatig mediagebruik risico's met zich meebrengt voor de gezonde ontwikkeling van kinderen. Daarom hebben Amerikaanse kinderartsen aan het begin van deze eeuw een advies uitgebracht: Children, adolescents, and television  pdf. Daarin staat dat baby's en peuters helemaal geen televisie of dvd's zouden moeten kijken en kinderen tot 12 jaar maximaal twee uur per dag achter een beeldscherm zouden mogen zitten (American Academy of Pediatrics 2001). De Franse overheid heeft dit advies in 2008 omgezet in een verbod op de uitzending van televisieprogramma's voor kinderen tot 3 jaar (CSA 2008). Over de risico's van het veelvuldig gebruik van mobieltjes door kinderen is ook het laatste woord nog niet gezegd. Omdat de schedel en hersenen van jonge kinderen nog niet volledig ontwikkeld is zou de straling van mobieltjes een nadelig effect kunnen hebben.

Onderzoek toont verbanden met te veel mediagebruik

Volgens sommige onderzoekers is het aannemelijk dat veelvuldig mediagebruik door kinderen leidt tot minder sociale contacten, een slechtere taalontwikkeling, minder fantasieontwikkeling, lagere schoolprestaties, slechtere leesprestaties, vetzucht of zelfs aandoeningen als ADHD. Over al deze mogelijkheden zijn internationale studies verschenen die een verband aantonen tussen veelvuldig mediagebruik op jonge leeftijd en risico's in ontwikkelingstaken. Volgens sommige studies bestaan die verbanden ook over een langere periode van enkele jaren. Toch heeft wetenschappelijk onderzoek vooralsnog niet onomstotelijk bewezen dat het altijd gaat om een oorzakelijk verband. 

Oorzaak of symptoom?

Het is inderdaad mogelijk dat de tijd die aan media besteed wordt, af gaat van de tijd die aan andere belangrijke ontwikkelingstaken besteed kan worden. Als kinderen bijvoorbeeld te weinig oefenen met lezen of te weinig tijd besteden aan fantaseren is dat niet bevorderlijk voor het begrijpend lezen (Koolstra 1993) of voor hun creativiteit (Valkenburg en Van der Voort 1995). Ook kunnen de media als stoorzender fungeren. Bij het maken van huiswerk of het verwerven van taal kunnen televisiebeelden en -geluiden op de achtergrond storend werken (Pool, Koolstra en Van der Voort 2003; Linebarger en Walker 2005). De gevonden verbanden kunnen echter soms ook andersom verklaard worden. Het is mogelijk dat kinderen die minder goed zijn in bepaalde ontwikkelingstaken of die aanleg hebben voor bepaalde aandoeningen als compensatie langduriger televisiekijken, gamen of internetten. Dan is het verhoogde mediagebruik een symptoom en niet de oorzaak. Ongecontroleerd mediagebruik kan de problemen echter wel in stand houden.  

Bronnen

American Academy of Pediatrics (2001), 'Children, adolescents, and television', in: 'Pediatrics', 107, p.423 - 426. Deze publicatie is te downloaden via de website van American Academy of Pediatrics.

Conseil Superieur de l'Audiovisuel (2008), 'Recommandations et délibérations du CSA relatives à la protection des mineurs'. Op de website van het CSA, het Franse Commissariaat voor de media, staat de wettekst.

Koolstra, C. (1993), 'Television and children's reading: a three-year panel study'. Proefschrift Universiteit Leiden.

Linebarger, D. en D. Walker (2005), 'Infants' and toddlers' television viewing and language outcomes', in: 'American Behavioral Scientist', 48, p.624-645.

Pool, M., C. Koolstra en T. van der Voort (2003), 'The impact of background radio or television on high school students' homework performance', in: 'Journal of Communication', 53, p.74-87.

Valkenburg, P. M. en T.H.A. van der Voort (1995), 'The influence of television on children's daydreaming styles: a one-year panel study', in: 'Communication Research', 22, p.267-287.


Risico's van schadelijke mediabeelden

In de media, en zeker op internet, kunnen kinderen allerlei beelden tegenkomen die niet gunstig zijn voor hun ontwikkeling. Er zijn verschillende theorieën voor hoe mediabeelden kinderen kunnen beïnvloeden. Volgens de 'sociale leertheorie' nemen kinderen aan sommige beelden op tv en internet of in films en games een voorbeeld. Jongere kinderen neigen er vooral naar om bepaalde gedragingen klakkeloos te kopiëren, terwijl oudere kinderen mediabeelden eerder als aanleiding gebruiken voor experimenteergedrag. Volgens de theorie hebben de media overigens niet alleen invloed op het gedrag van kinderen. De media kunnen ook de ideeën en opvattingen van kinderen of jongeren via voorbeelden sturen.

Vertekend beeld

Een andere belangrijke verklaring voor de mogelijke invloed van de media op kinderen is dat de media vaak een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Volgens de 'cultivatietheorie' leidt het veelvuldig zien van vertekende mediabeelden ertoe dat mensen gaan denken dat de werkelijkheid is zoals de media die laat zien. Zo is er op internet en in films, tv-programma's en games meer dan in het echte leven aandacht voor bijvoorbeeld geweld, seksualiteit en alcoholgebruik. Bovendien lossen helden hun problemen vaak in hun eentje met geweld op, zien vrouwen er vooral aantrekkelijk en verleidelijk uit, en komen de risico's van alcohol- en drugsgebruik en seksueel gedrag meestal niet in beeld. Zelfs het nieuws geeft een selectie van alle gebeurtenissen waarover bericht kan worden.

Acceptatie van geweld en seks

Onderzoek naar de mogelijke effecten van de media op kinderen laat zien dat kinderen hun gedrag en houding inderdaad kunnen laten beïnvloeden door de media (Valkenburg 2008). De confrontatie met geweld in tv-programma's, films en games kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat kinderen geweld meer acceptabel vinden of dat ze zelf meer vervelend gedrag gaan vertonen. In het algemeen blijkt dit risico van gewelddadige media uit allerlei onderzoek dat internationaal is uitgevoerd (Nikken 2007). Voor seks, grof gedrag, ongezond eten en stereotiepe opvattingen zijn er ook aanwijzingen dat hoe vaker kinderen daarvan beelden in de media tegenkomen, hoe meer zij zelf zo kunnen gaan denken of doen.

Risicofactoren

Het onderzoek naar de mogelijke invloeden van mediabeelden op kinderen heeft ook laten zien dat media-effecten niet altijd en niet bij alle kinderen optreden. In het algemeen zijn de risico's van een schadelijke invloed groter bij:

Vooral als er verschillende risicofactoren tegelijkertijd optreden hebben de media een grotere kans om kinderen negatief te beïnvloeden.

Bronnen

Nikken, P. (2007), 'Mediageweld en kinderen'. Amsterdam, SWPbooks.

Valkenburg, P. (2008), 'Beeldschermkinderen: theorieën over kind en media'. Amsterdam, Boom.


Oorzaken van te weinig media-opvoeding

Hoe belangrijk media-opvoeding ook is, soms komen ouders er niet aan toe om zich voor honderd procent te bemoeien met het mediagedrag van hun kinderen. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Hieronder noemen we een aantal structurele oorzaken die kunnen leiden tot minder media-opvoeding door ouders.

Gebrek aan ervaring

In populaire publicaties wordt de huidige generatie kinderen en jongeren nogal eens gekarakteriseerd als zeer ervaren mediagebruikers. Ze worden aangeduid als de generatie M, Google-kids of de generatie Einstein. Al 'multitaskend' zouden kinderen allerlei media tegelijk kunnen gebruiken en begrijpen. Met gemak zouden zij hun ouders voorbij surfen. Dat laatste valt in de praktijk vaak wel mee, maar in het algemeen hebben ouders ten opzichte van hun kinderen wel minder ervaring met moderne media als mobieltjes, games en sommige computertoepassingen. Soms denken ouders dat ze te weinig van bepaalde media of programma's afweten om er met hun kinderen over te kunnen praten. In moderne tekenfilms of online games zijn de verhaallijnen bijvoorbeeld tamelijk gecompliceerd. Ouders zouden er een dagtaak aan hebben om zich daarin uitgebreid te verdiepen. De meeste ouders hebben daarom niet altijd tijd en zin om zich te verdiepen in alle tv-programma's of films die hun kinderen zien of de websites die ze bezoeken. Daardoor is het voor hen minder vanzelfsprekend om alle mogelijkheden van die media te herkennen en kan het lastig zijn om hun kinderen bij die media te begeleiden. 

Weinig bezorgdheid 

De mate waarin ouders zich bemoeien met het mediagebruik van hun kinderen hangt samen met de ideeën die ouders hebben over de media. Er zijn ouders die zich weinig zorgen maken over negatieve effecten van de media op hun kinderen. Uit onderzoek naar de media-opvoeding bij televisiekijken, gamen en internetten blijkt dat 'onbezorgde' ouders hun kinderen minder begeleiden bij het mediagebruik (Duimel en De Haan 2007; Nikken, Jansz en Schouwstra 2007). Zij verbieden minder vaak bepaalde games of sites en nemen ook minder voorzorgsmaatregelen. Daarnaast komen onbezorgde ouders er ook minder vaak aan toe om met hun kinderen over tv-programma's en games te praten, te wijzen op goede of slechte informatie en uitleg te geven over de media.

Ouderlijke voorkeur

Daarnaast zijn er ouders die de positieve uitwerking van de media op kinderen onderschatten. Zij neigen er in het algemeen toe om minder vaak samen met hun kinderen te kijken of te gamen. De ideeën die ouders hebben over de media worden ook gevormd door hun eigen voorkeur voor mediaproducten. Ouders die weinig interesse hebben in informatieve televisieprogramma's en literaire boeken stimuleren hun kinderen ook niet vaak om te gaan lezen of om kritisch televisie te kijken (Notten en Kraaykamp 2009).

Opleidingsniveau

Opvattingen over positieve en negatieve effecten van de media op kinderen hangen vaak samen met het opleidingsniveau van de ouders. Hogeropgeleide ouders zijn doorgaans meer bezorgd over hun kinderen. Ouders die een minder hoge opleiding hebben genoten zeggen hun kinderen minder vaak te begeleiden bij het mediagebruik dan dat hogeropgeleide ouders dat doen. Hogeropgeleide ouders letten wat vaker op welke tv-programma's hun kinderen mogen zien. Zij praten ook vaker met hun kinderen over wat er goed of slecht is aan bepaalde programma's. Alleen bij games zijn lageropgeleide ouders meer geneigd om die media met hun kinderen te bespreken of om samen te spelen. Daarnaast zijn er verschillen tussen vaders en moeders. Vaders bemoeien zich in het algemeen minder met de media-opvoeding dan moeders. Dit geldt overigens ook voor het stimuleren van lezen; moeders doen dat meer dan vaders (Notten en Kraaykamp 2009).

Buiten het zicht

Soms is er in gezinnen weinig media-opvoeding doordat de kinderen de media vooral buiten het zicht van hun ouders gebruiken. Dit komt steeds vaker voor, omdat veel kinderen al op jonge leeftijd een eigen televisie of computer op hun slaapkamer hebben. Ook kunnen ze bij hun vriendjes gamen, internetten en tv-kijken. Dat gebeurt vaker naarmate kinderen ouder worden. Met het voortschrijden van de techniek worden de media ook steeds individueler. Met moderne mobieltjes kunnen kinderen naar de radio luisteren en videobeelden bekijken. Spelconsoles bieden kinderen de mogelijkheid om via internet films op te halen en informatie uit te wisselen met hun vrienden. Ook dat kan tegenwoordig overal.

Gezinskenmerken

Een laatste factor die een rol speelt bij de mate waarin ouders hun kinderen begeleiden bij hun mediagebruik is het gezin. Kinderen die een wat minder goed contact hebben met hun ouders lopen extra risico om door de media beïnvloed te worden. Zij worden minder begeleid door hun ouders en kiezen meer zelfstandig voor tv-programma's, films, websites en games. Verder worden kinderen minder actief begeleid bij het tv-kijken en minder gestimuleerd tot lezen als zij in gescheiden gezinnen opgroeien of als zij meer broertjes of zusjes hebben (Notten en Kraaykamp 2009). Waarschijnlijk speelt tijd hierbij een belangrijke rol. Ouders die er alleen voor staan hebben minder tijd om zowel hun kinderen op te voeden als het huishouden draaiende te houden. En wanneer er meer kinderen opgroeien in een gezin moeten de ouders hun aandacht verdelen.

Bronnen

Duimel, M. en J. de Haan (2007). 'Nieuwe links in het gezin: de digitale leefwereld van tieners en de rol van hun ouders'. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.

Nikken, P., J. Jansz en S. Schouwstra (2007). 'Parents' interest in videogame ratings and content descriptors in relation to game mediation', in: 'European Journal of Communication' 3, p.5-336.

Notten, N. en G. Kraaykamp. (2009). 'Parents and the media: A study of social differentiation in parental media socialization', in: 'Poetics' 37, p.185-200.


Beleid

Er zijn verschillende ministeries betrokken bij beleid voor media-opvoeding. Ook is er regelgeving ter ondersteuning van ouders en professionals.


Rijksbeleid

Het programmaministerie voor Jeugd en Gezin ontwikkelt beleid voor opvoedingsondersteuning, waarvan media-opvoeding een onderdeel vormt. Ook andere ministeries willen ervoor zorgen dat kinderen, jongeren en hun opvoeders op een goede manier met de media kunnen omgaan.

Veilig internetgebruik

Het ministerie van Economische Zaken ontwikkelt beleid voor goed en veilig gebruik van computers en websites. Het ministerie voert daarvoor de publiekscampagne Digivaardig & Digibewust, waarmee bewust en veilig gebruik van elektronische communicatie (internet en mobiel) door burgers en het bedrijfsleven wordt bevorderd. 

Rechtshandhaving

Het ministerie van Justitie houdt zich vooral bezig met rechtshandhaving op internet, zoals het bestrijden van internetfraude, haatzaaien, grooming (seksueel benaderen van kinderen en jongeren) of aanzetten tot terrorisme. Daarnaast is het ministerie van Justitie ook betrokken bij de publiekscampagne 'Digivaardig & Digibewust' en bij de naleving van wetten en regels over media. 

Bescherming tegen schadelijke producties

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap richt zich vooral op het 'mediawijs' maken van kinderen, jongeren, ouders en leerkrachten. Daarnaast richt dit ministerie zich op de bescherming van minderjarigen tegen voor hen schadelijke audiovisuele producties. Dat houdt in:


Regelgeving

Om er voor te zorgen dat de media op een geordende manier hun diensten aanbieden heeft de overheid verschillende wettelijke regelingen vastgesteld. In die regelingen is ook bepaald dat minderjarigen niet geschaad mogen worden door informatie die zij in de media tegen kunnen komen. De drie wettelijke regelingen kunt u downloaden via de site van de rijksoverheid:

Naast deze landelijke regelingen geldt ook de Europese richtlijn 'Televisie Zonder Grenzen' uit 1997. Die richtlijn wordt uiterlijk eind 2009 vervangen door de nieuwe Europese Richtlijn voor Audiovisuele Mediadiensten, waardoor de regels niet meer alleen voor televisie maar voor alle media gelden.
De tekst van de nieuwe richtlijn vindt u op de website van het Europese Parlement.

Commissariaat voor de Media

Voor de uitvoering van de mediaregels is gekozen voor gecontroleerde zelfregulering. Conform de Europese richtlijnen voor 'grensoverschrijdende media' heeft de overheid afspraken gemaakt met de media-industrie. Die moet er zelf voor zorgen dat kinderen geen schade ondervinden van geweld, seks, angst, discriminatie, middelengebruik, grof taalgebruik of commerciële reclame-uitingen. Dat gebeurt via Kijkwijzer, PEGI en de Reclame code. Het Commissariaat voor de Media ziet erop toe dat de media zich aan de regels houden en dat ouders daadwerkelijk steun krijgen bij de media-opvoeding.
Meer informatie over de taken en werkwijze van het Commissariaat voor de Media vindt u op www.cvdm.nl.

Kijkwijzer

In 1997 verscheen de overheidsnota Niet voor alle leeftijden  pdf. Daarin werd geconstateerd dat alle media-aanbieders medeverantwoordelijk zijn voor de bescherming van kinderen en jongeren en voor het ondersteunen van ouders bij de media-opvoeding. Omroepdirecteuren, filmexploitanten en dvd-verkopers hebben in 2001 samen met de overheid het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) opgericht. Het NICAM verzorgt de Kijkwijzer, die met leeftijdsaanduidingen en inhoudelijke symbolen ouders adviseert over welke mediaproducties schadelijk kunnen zijn voor kinderen onder een bepaalde leeftijd. De Kijkwijzer wordt gebruikt bij televisieprogramma's, bioscoopfilms en dvd's.
Meer informatie vindt u op www.kijkwijzer.nl.

PEGI

Voor videogames is er sinds 2003 een vergelijkbaar waarschuwingssysteem als Kijkwijzer: de PEGI (Pan European Game Information). Omdat de gamemarkt vooral internationaal opereert is door de Europese lidstaten afgesproken om één universeel grensoverschrijdend systeem te hanteren. PEGI is sterk gebaseerd op het Nederlandse Kijkwijzer-voorbeeld.
Meer informatie vindt u op www.pegi.nl

Stichting Reclame Code

De adverteerdersmarkt heeft ruim veertig jaar geleden de Stichting Reclame Code (SRC) opgericht. De SRC heeft in overleg met consumentenorganisaties, de overheid en non-profitorganisaties een code opgesteld met regels over hoe adverteerders hun verantwoordelijkheid moeten nemen: de Nederlandse Reclame Code. Verschillende regels van de code hebben betrekking op reclame die gericht is op kinderen.
Meer informatie vindt u op www.reclamecode.nl.

Wetboek van Strafrecht

Hoewel de overheid de bescherming van kinderen en jongeren tegen mogelijk schadelijke media dus voor een groot deel laat uitvoeren door de media zelf, betekent dit niet dat ouders en kinderen zijn overgeleverd aan de nukken en grillen van de media-industrie. Volgens artikel 240a in het Wetboek van Strafrecht blijft het te allen tijde verboden om aan minderjarigen onder de 16 jaar beelden te vertonen of beelddragers mee te geven, die (ernstig) schadelijk kunnen zijn voor hun ontwikkeling. Daarnaast houdt de overheid toezicht op het functioneren van het NICAM via het Commissariaat voor de Media en heeft zij de mogelijkheid om in te grijpen. Met de SRC heeft de overheid afspraken gemaakt over de reclamepraktijk, hoewel daar geen wettelijke interventie mogelijk is.  
U vindt de tekst van artikel 240a op de website van de overheid.


Kijkwijzer

Sinds 2001 worden in Nederland alle televisieprogramma's, bioscoopfilms, video's en dvd's geclassificeerd op leeftijd. Via de Kijkwijzer krijgen ouders informatie over de mogelijke schadelijkheid van films en tv-programma's voor kinderen tot 6, 9, 12 of 16 jaar. Naast de leeftijdsaanduidingen informeert de Kijkwijzer met een pictogram ook over de problematische elementen: het geweld, angstaanjagende elementen, seks, discriminatie, alcolhol, drugs of grof taalgebruik.

Hulp bij de media-opvoeding

De Kijkwijzer wordt beheerd door het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM). Wettelijk is vastgelegd dat het NICAM een vertegenwoordiging is van de overheid (OCW; VWS; Justitie; Jeugd en Gezin) en alle aanbieders van mediaproducties, zoals publieke en commerciële omroepen, filmdistributeurs, bioscoopexploitanten, dvd-verkopers en -verhuurders. Dat is een unieke vorm van co-regulering: de overheid en de gehele media-industrie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het bieden van hulp bij de media-opvoeding.

Zo objectief mogelijk

De Kijkwijzer wordt op dezelfde manier gebruikt voor alle media. Als een film voor roulatie in de bioscoop een bepaalde leeftijdsclassificatie heeft gekregen geldt die leeftijd ook als de film later op dvd uitkomt of op televisie wordt uitgezonden. Bovendien worden alle producties volgens dezelfde criteria geclassificeerd. Bij het classificeren van een tv-programma gebruikt de codeur dezelfde standaardvragenlijst als een codeur van een dvd of een bioscoopfilm. Met de standaardvragenlijst geven door het NICAM getrainde codeurs uit de televisie-, film- en dvd-branche via een computersysteem aan of een productie bijvoorbeeld geweld of seks bevat en hoe dat in beeld gebracht wordt. Afhankelijk van het type productie en van de manier waarop de mogelijk schadelijke elementen getoond worden 'berekent' het computersysteem de leeftijdsclassificatie van de productie. De vragenlijst is ontworpen door een team van onafhankelijke wetenschappers en zodanig opgesteld dat vooral gevraagd wordt naar wat er feitelijk te zien en te horen is. Daardoor speelt de subjectieve beleving van een codeur een zo klein mogelijke rol en wordt de mogelijke schadelijkheid voor kinderen en jongeren zo objectief mogelijk vastgesteld.

Naleving van de afspraken

De leeftijden van de Kijkwijzer-classificaties zijn adviesleeftijden voor ouders maar ze hebben ook wettelijke consequenties. Producties met een leeftijdsclassificatie van 12 of 16 jaar mogen niet op televisie worden uitgezonden vóór respectievelijk 's avonds acht en tien uur. In bioscopen, winkels en verhuurbedrijven is het verboden om kinderen onder die leeftijden toe te laten of de mediaproducties mee te geven. Zelfs als de ouders het goed vinden is het wettelijk niet toegestaan en blijven de bioscoopexploitanten of winkeliers strafbaar (WvS, art. 240a). De leeftijdsaanduidingen en pictogrammen over mogelijk schadelijke inhoud moeten altijd goed zichtbaar zijn op de verpakking van een mediaproductie, in filmladders en tv-gidsen en bij aanvang van de uitzending op televisie. Op Teletekstpagina 282 is de Kijkwijzer-classificatie van een tv-programma altijd direct te vinden.

Klachtenprocedure

De standaardvragenlijst en de speciale trainingen van de codeurs moeten ervoor zorgen dat de mediabranches niet zomaar classificaties toekennen die hen commercieel gezien het beste uitkomen. Als extra vangnet om fouten bij het classificeren te voorkomen heeft het NICAM een laagdrempelige klachtenprocedure op internet opgesteld. Ouders kunnen aangeven of zij vinden dat bepaalde programma's of films een foutieve leeftijdsclassificatie hebben. De klacht moet wel gaan over de mogelijke schadelijkheid van een mediaproductie voor kinderen, niet over goede smaak. Een onafhankelijke klachtencommissie beoordeelt vervolgens of de codeur inderdaad een fout heeft gemaakt. Als dat zo is moet de Kijkwijzer-classificatie worden aangepast en kan de verantwoordelijke maatschappij een reprimande of boete krijgen. Het NICAM krijgt gemiddeld per jaar zo'n 300 reacties van ouders, waarvan een klein deel een vervolg krijgt in de klachtenprocedure. Een groot deel daarvan wordt gegrond verklaard.
Meer informatie over de klachtenprocedure vindt u op de website van de Kijkwijzer.

Extra service

Voor kinderen is er een aparte website met informatie over de werkwijze van de Kijkwijzer: www.bekijkhetmaar.nu. Als extra service voor opvoeders biedt de Kijkwijzer een nieuwsbrief met actuele informatie over de nieuwste films en de bijbehorende Kijkwijzer-classificatie. Op de website van de Kijkwijzer kunt u zich opgeven voor de nieuwsbrief.


PEGI

In 2003 is de voorlichting aan ouders over mogelijk schadelijke media uitgebreid met leeftijdclassificaties voor computerspellen. Analoog aan de Kijkwijzer is er een classificatiesysteem ontwikkeld dat ouders informeert over de schadelijkheid van games onder bepaalde leeftijden: PEGI (Pan European Game Information). Er is gekozen voor een Europees voorlichtingssysteem omdat games vooral internationaal worden geproduceerd en verspreid.

Vijf leeftijdsgrenzen

Bij de PEGI-classificatie zijn er vijf leeftijdsgrenzen: 3, 7, 12, 16 en 18 jaar. Verder wordt er, net als bij de Kijkwijzer, met pictogrammen gewaarschuwd voor mogelijk schadelijke inhoud: geweld, angst, seks, grof taalgebruik, discriminatie, alcohol/drugs en gokverslaving. Ouders kunnen ook bij PEGI via internet een klacht indienen als zij het gevoel hebben dat een game onjuist geclassificeerd is. Een onafhankelijke commissie neemt de klacht in beraad en besluit vervolgens over de juistheid van de classificatie.
Meer informatie over het indienen van een klacht vindt u op de website van PEGI.

Games op internet

In aanvulling op het PEGI-systeem voor spelletjes op dvd's is er sinds 2008 ook de website PEGI Online. Dit voorlichtingssysteem moet jongeren beschermen tegen ongeschikte spellen die ze op internet tegenkomen. Daarnaast helpt PEGI Online ouders bij het begrijpen van de risico's die kunnen kleven aan het spelen van online games en welke schade dat kan veroorzaken. Bij PEGI Online hebben de uitgevers van spellen een veiligheidscode met elkaar afgesproken. Deze PEGI Online Veiligheidscode (POVC) zorgt ervoor dat:

Werkwijze PEGI Online

Licentiehouders en aanbieders van games die op internet gespeeld kunnen worden moeten zich aansluiten bij PEGI Online. Dan mogen zij de logo's van PEGI Online gebruiken en op alle materialen de pictogrammen voor leeftijden en mogelijk schadelijke inhoud plaatsen. Ouders en kinderen weten daardoor dat de games op die sites mogelijk schadelijk kunnen zijn voor kinderen onder een bepaalde leeftijd. Als er toch een verkeerde leeftijd bij een online game staat kunnen ouders een klacht indienen via  PEGI Online. Een medewerker van PEGI bekijkt de klacht en neemt contact op met de licentiehouder van de game. Indien gewenst kan de klacht ook voorgelegd worden aan een onafhankelijke klachtencommissie, die binnen twee weken beslist.


Regels van de reclamebranche

Reclame heeft als doel mensen te informeren over producten en hen over te halen tot het kopen en gebruiken van die producten. Ook kinderen en jongeren zijn soms een doelgroep van adverteerders. Om ouders en kinderen niet te belasten met een overmatige reclamedruk heeft de reclamebranche (adverteerders, reclamebureaus en media) zelf regels opgesteld waaraan reclame moet voldoen.

Reclame Code Commissie

Met de Stichting Reclame Code (SRC) reguleert de reclamebranche de inhoud en verspreiding van reclame-uitingen. Daarnaast zorgt de branche ervoor dat reclames waarin tegen de regels gezondigd wordt worden gecorrigeerd of geweerd. Iedereen die vindt dat een reclame in strijd is met de regels kan een klacht indienen bij de Reclame Code Commissie (RCC). De RCC is een onafhankelijk orgaan dat toetst of de reclameregels in de praktijk worden nageleefd. Met deze zelfregulering wil de SRC voorkomen dat de overheid verboden gaat opleggen bij reclames.
Meer informatie over het indienen van klachten over reclames vindt u op de website van de Reclame Code Commissie.

Nederlandse Reclame Code

De regels die de SRC voor reclame heeft opgesteld zijn opgenomen in de Nederlandse Reclame Code (NRC) pdf. De NRC bestaat uit een algemeen deel met bepalingen dat een reclame niet misleidend en in strijd met de waarheid mag zijn, niet mag kwetsen en niet tegen de regels van goede smaak en fatsoen mag zijn. Met die algemene regels wordt nagestreefd dat reclames rekening houden met verschillende publieksgroepen, waaronder kinderen en jongeren. Naast het algemene gedeelte is er ook een deel met de zogenoemde 'Bijzondere Reclame Codes' voor specifieke producten en diensten:

Alcohol

Volgens de Reclamecode voor Alcoholhoudende Dranken (RVA) die op 1 mei 2005 in werking is getreden mogen alcoholreclames:

Ook is het verboden: 

Tot slot dienen websites van alcoholmerken de wettelijke leeftijdsgrenzen voor de aankoop van alcohol te vermelden en mogen ze geen chatboxen bevatten (art. 25, lid 1).

Kansspelen

De Reclamecode voor Kansspelen (RVK) sluit aan op de Wet op de kansspelen. In de code is sinds 15 februari 2006 opgenomen dat reclames voor kansspelen:

Reclames voor kansspelen mogen ook niet getoond worden:

Tot slot is het niet toegestaan kansspelreclames aan minderjarigen te verspreiden:

Tabak

De Reclamecode voor Tabaksproducten (RVT) bepaalt sinds 7 november 2002 dat tabaksreclames:

Er zijn geen regels opgenomen over reclame-uitingen op bijvoorbeeld billboards of in tijdschriften of in de buurt van scholen. 

Telemarketing

Volgens de Code Telemarketing (CTM) van 2 december 2003 is het niet toegestaan om aanbiedingen te doen aan consumenten waarvan de telemarketeer weet, zou kunnen weten of behoort te weten dat zij minderjarig zijn (art. 9).

Voedingsmiddelen

Om consumenten te ondersteunen bij gezond eetgedrag zijn er twee codes. Sinds 1991 bepaalt de Code voor Zoetwaren (CVZ) dat het tandenborstelembleem te zien moet zijn bij zoetwaarreclames in drukwerk en artikelen die vooral door kinderen onder de 14 jaar gelezen worden (art. 7).

Daarnaast is op 2 juni 2005 de Reclamecode voor Voedingsmiddelen opgesteld (RVV). Met het oog op kinderen tot 13 jaar is in de RVV bepaald:

De RVV bepaalt verder: 

Tot slot geldt voor sponsoring het convenant Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring  pdf.

Kinder- en Jeugdreclamecode

Sinds 1 januari 2006 hanteert de reclamebranche ook een Kinder- en Jeugdreclamecode (KJC). Deze code is van toepassing op alle reclame-uitingen die geheel of gedeeltelijk op kinderen tot 12 jaar of jongeren tot 18 jaar zijn gericht. De KJC bestaat uit veertien artikelen die onder meer bepalen:

 U vindt hier de integrale tekst van de Kinder- en Jeugdreclamecode  pdf.

Sms-diensten

Naast de regels van de Stichting Reclame Code zijn er door het bedrijfsleven ook afspraken gemaakt over het aanbieden van sms-diensten. Alle partijen die in Nederland betrokken zijn bij sms-diensten hebben de Stichting sms-gedragscode opgericht. De stichting heeft sinds mei 2008 een eigen gedragscode. Op 1 april 2009 is, mede naar aanleiding van aanbevelingen van de stichting Mijn Kind Online pdf, de reclamecode voor sms-diensten  pdf aangescherpt.


Beleidsstukken

Hier vindt u een selectie van relevante beleidsstukken, analyses of adviezen. De korte omschrijvingen zijn ontleend aan de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut.


Praktijk

Het begeleiden van kinderen bij hun mediagebruik komt elke dag terug. Hier vindt u informatie over hoe en wanneer media-opvoeding effectief is, welke hulpmiddelen er zijn om kinderen te helpen mediawijs te worden en welke meetinstrumenten media-opvoeding en problemen bij het mediagebruik in kaart brengen.


Wat werkt?

Zowel in Nederland als in het buitenland zijn diverse studies uitgevoerd naar de mogelijke effectiviteit van media-opvoeding door ouders. Maar tot nu toe geven die onderzoeken slechts een beperkt beeld. Daar zijn verschillende redenen voor:

Restrictieve begeleiding meestal effectief 

Restrictieve begeleiding lijkt in het algemeen effectief bij het tegengaan van mogelijke negatieve effecten van de media. In gezinnen waar de ouders het computergebruik van hun kinderen controleren of bepaalde websites verbieden, hebben de kinderen bijvoorbeeld minder ervaring met vervelende contacten via e-mail of chatsites dan kinderen van minder restrictieve ouders (Livingstone en Helsper 2008). Daarnaast blijkt dat als televisiekijken of gamen aan banden wordt gelegd of wordt gecontroleerd kinderen minder vaak computerspelletjes spelen waar ze nog te jong voor zijn, dat ze zich socialer en minder gewelddadig gedragen, minder angstreacties vertonen bij geweld in het nieuws en minder snel instemmen met mediageweld (Nikken 2007). Amerikaanse jongeren bij wie het televisiekijken aan banden is gelegd hebben ook minder ervaring met seks (Schooler, Kim en Sorsoli 2006). Volgens recent longitudinaal onderzoek gaat restrictieve begeleiding ook vooraf aan seksuele onthouding: jongeren die minder televisie van hun ouders mogen kijken beginnen het jaar erna minder vaak aan seks dan jongeren die ongelimiteerd televisie mogen kijken (Bersamin en anderen 2008).

Soms is beperken of verbieden contraproductief

Tegelijkertijd blijkt dat restrictieve begeleiding soms geen effect heeft of zelfs contraproductief kan zijn. Dit lijkt vooral zo te zijn als kinderen ondanks het ouderlijk verbod toch weet krijgen van de verboden mediaproducten of wanneer zij er niet helemaal van weggehouden kunnen worden. Zo bleken kinderen die niet mochten kijken naar ernstig nieuws, zoals de moord op Theo van Gogh, juist meer angstreacties te vertonen en zich meer zorgen te maken dan kinderen die niet beperkt werden in het kijken naar het nieuws (Buijzen en anderen 2007). Mogelijk werd deze extra zorg veroorzaakt doordat de kinderen wisten dat er iets erg was gebeurd terwijl zij er verder geen informatie over kregen. Uit een andere studie bleek de wens van kinderen om producten uit reclames te hebben even groot in gezinnen waar ouders hun kinderen weghouden van tv-reclame als in gezinnen waar kinderen wel naar reclames mochten kijken (Buizen en Valkenburg 2005). Volgens de onderzoekers kan dit komen doordat het onmogelijk is om kinderen geheel reclamevrij op te voeden; er is altijd wel ergens reclame.

Actieve begeleiding is effectief

De actieve inmenging van ouders met het mediagedrag van hun kinderen is het meest onderzocht, ook in enkele experimentele studies. De meeste studies wijzen op de effectiviteit van actieve begeleiding, waarbij ouders met hun kinderen praten over de mediabeelden, en informatie, uitleg en hun eigen mening geven. Kinderen die actief begeleid worden zijn kritischer en meer betrokken bij de nieuwsberichtgeving, nemen gespeeld geweld minder serieus, zijn zich meer bewust van het geweld in de samenleving en vertonen minder angstreacties of zorgen bij berichtgeving over ernstige nieuwsfeiten (Nikken 2007a). Daarnaast wijst Nederlands onderzoek uit dat actieve begeleiding ertoe kan bijdragen dat kinderen een minder materialistische houding aannemen doordat zij kritischer worden over producten in reclames (Mens en Buijzen 2006; Buizen 2007; Buijzen en anderen 2008). Daarnaast lijken kinderen die actief begeleid worden minder vaak te vragen om producten uit reclames (Buizen en Valkenburg 2005). Ook op de mogelijke effecten van seks in de media kan actieve begeleiding invloed hebben. Nederlandse jongens en meisjes in het voortgezet onderwijs gaan minder snel akkoord met extreem seksueel gedrag wanneer hun ouders meer media-opvoeding toepassen (Nikken 2007b), terwijl meisjes dan ook minder vaak seksuele ervaring hebben (Schooler en anderen 2006; Nikken 2007b). Deze verbanden worden gestaafd door experimenteel onderzoek (Bryant en Rockwell 1994) en longitudinaal onderzoek (Peterson, Moore en Furstenberg 1991).

Gezamenlijke mediabeleving nog weinig onderzocht

Het effect van de gezamenlijke beleving van mediaproducties door ouders en kinderen is minder vaak onderzocht dan de effectiviteit van restrictieve of actieve begeleiding. Deels komt dit doordat sommige onderzoekers vinden dat het samen kijken, gamen of surfen niet als begeleiding kan worden beschouwd, omdat het niet altijd bewust gebeurt (Valkenburg en anderen 1999). Het kan zo zijn dat ouders en kinderen 'toevallig' dezelfde interesses hebben en daarom samen kijken, gamen of surfen. Toch is er alle reden om de gezamenlijke mediabeleving wel te onderzoeken als vorm van media-opvoeding. Het is immers aannemelijk dat wanneer ouders in de buurt van hun kinderen zijn, zelfs als dat toevallig is, dat toch van invloed kan zijn op de manier waarop kinderen de media beleven. Vooral jongere kinderen kunnen zich veel meer op hun gemak voelen bij beangstigende beelden wanneer er een volwassene in de buurt is. Die geborgenheid kan kinderen troost en geruststelling bieden (Cantor 2003; Moyer-Gusé en Smith 2007). Bovendien kan non-verbale communicatie tussen neus en lippen door duidelijk maken hoe de informatie in de media geïnterpreteerd moet worden (Moyer-Gusé en Smith 2007).

Samen kijken en gamen kan contraproductief zijn

Voor zover het onderzoek naar de gezamenlijke mediabeleving het toelaat, lijkt het er echter op dat meekijken of samen gamen of internetten niet altijd tot positieve effecten leidt: het kan zelfs contraproductief zijn. Kinderen die rapporteren dat zij vaak samen met hun ouders televisiekijken of games spelen, neigen meer naar agressief gedrag, keuren mediageweld eerder goed, spelen vaker games waar ze nog te jong voor zijn en denken vaker dat hun ouders het geweld ook goedkeuren (Nikken 2007). Uit deze studies blijkt echter niet of de gedrags- en houdingseffecten bij kinderen het gevolg zijn van het regelmatig samen kijken of gamen, of dat ouders door het gedrag van hun kinderen besluiten tot vaker meekijken of meespelen. De eerste verklaring is echter wel voor de hand liggend, omdat uit onderzoek bij televisiekijken en gamen ook gebleken is dat ouders vooral meekijken of samen spelen als zij minder zwaar tillen aan de mogelijke negatieve effecten van de media en als zij de positieve effecten wel belangrijk vinden (onder anderen Nikken en Jansz 2006).

Bronnen

Bersamin, M., M. Todd, D. Fisher, D. Hill, J. Grube en S. Walker (2008), 'Parenting practices and adolescent sexual behavior: a longitudinal study', in: 'Journal of Marriage and Family', 70, p.97-112.

Bryant, J. en S. Rockwell (1994), 'Effects of massive exposure to sexually oriented prime-time television programming on adolescents’ moral judgment', in: D. Zillmann, J. Bryant en A. Huston (red.), 'Media, Children, and the Family', p.183-195. Hillsdale, NJ, Lawrence Erlbaum.

Buijzen, M. (2007), 'Reducing children’s susceptibility to commercials: mechanisms of factual and evaluative advertising interventions', in:. 'Media Psychology', 9, p.411-430.

Buizen, M. en P. Valkenburg (2005), 'Parental mediation of undesired advertising effects', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 49, p.153-165.

Buijzen, M., J. Walma van der Molen en P. Sondij (2007), 'Parental mediation of children’s emotional responses to a violent news event', in: 'Communication Research', 34, p.212-230.

Buijzen, M., E. Rozendaal, M. Moorman en M. Tanis (2008), 'Parent versus child reports of parental advertising mediation: exploring the meaning of agreement', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 52, p.509-525.

Cantor, J. (2003), 'Media and fear in children and adolescents', in: D. Gentile (red.), 'Media violence and children: a complete guide for parents and professionals', p.185-203. Westport, Praeger Publishing.

Livingstone, S. en E. Helsper (2008), 'Parental mediation of children’s internet use', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 52, p.581-599.

Mens, C. en M. Buijzen (2006), 'Interventie van reclame gericht op kinderen: een experimenteel onderzoek naar de meest effectieve interventiestrategie', in: 'Tijdschrift voor Communicatiewetenschap', 34, p.321-355.

Moyer-Gusé, E. en S. Smith (2007), 'TV news and coping : parents’ use of strategies for reducing children’s  news-induced fears', in: D. Lemish en M. Götz (red.), 'Children and media at times of conflict and war', p.267-286. Cresskill, Hampton Press.

Nikken, P. (2007a), 'Mediageweld en kinderen'. Amsterdam, SWPbooks.

Nikken, P. (2007b). 'Jongeren, media en seksualiteit: Hoe media-interesses en gebruik samenhangen met fantasieen, opvattingen en gedrag'. Utrecht, Nederlands Jeugdinstituut.

Nikken, P. en J. Jansz (2006), 'Parental mediation of children’s videogame playing: a comparison of the reports by parents and children', in: 'Learning, Media and Technology', 31, p.181-202.

Peterson, J., K. Moore en F. Furstenberg (1991), 'Television viewing and early initiation of sexual intercourse: is there a link?', in: Journal of Homosexuality', 21, p.93-118.

Schooler, D., J. Kim en L. Sorsoli (2006), 'Setting rules or sitting down: parental mediation of television consumption and adolescent self-esteem, body image, and sexuality', in: 'Sexuality Research and Social Policy: a journal of the NSRC, 3, p.49-62.

Valkenburg, P., M. Krcmar, A. Peeters en N. Marseille (1999), 'Developing a scale to assess three styles of television mediation: instructive mediation, restrictive mediation, and social coviewing', in: 'Journal of Broadcasting & Electronic Media', 43, p.52-66.


Steun voor ouders en professionals

De overheid kan opvoeders steunen bij het bewust omgaan met de media. In het Regeerakkoord van februari 2007 stond dat er een expertisecentrum moet komen dat kinderen en jongeren, hun ouders en leerkrachten ondersteunt bij het leren omgaan met de veelheid van media-uitingen. In 2008 is het Mediawijsheid Expertisecentrum opgericht; meer informatie vindt u op http://mediawijsheidexpertisecentrum.nl.

Verantwoord gebruik van digitale media

Daarnaast is de overheid actief met het programma 'Digibewust en digivaardig'. Het doel van dit samenwerkingsverband tussen bedrijfsleven en overheid is om het aantal mensen dat niet of nauwelijks digitale vaardigheden heeft terug te brengen en het verantwoord en veilig gebruik van digitale middelen te stimuleren. Het programma richt zich daarbij op 'digibeten', jongeren en hun opvoeders (ouders en docenten), midden- en kleinbedrijven en senioren. In 2009 is de website Mijndigitalewereld ontwikkeld als onderdeel van 'Digivaardig en digibewust'.

Welke programma's en spellen zijn geschikt?

In 2009 is een derde overheidsinitiatief gestart: een project om systematisch geschiktheidsinformatie te geven. De Kijkwijzer en PEGI geven ouders en kinderen informatie over de mogelijke schadelijkheid van mediaproducties voor kinderen onder een bepaalde leeftijd. Maar ouders willen ook weten welke dvd's, games of programma's juist geschikt zijn voor hun kinderen. Met de geschiktheidsadviezen komt die informatie gestructureerd via internet beschikbaar. Een deskundige redactie maakt objectieve beschrijvingen en houdt rekening met de ontwikkeling en het mediagebruik van kinderen van verschillende leeftijden. Het is de bedoeling dat ouders reageren op de adviezen en daarmee andere ouders ook helpen met het kiezen van geschikte mediaproducten. Het project is op 1 september 2009 gestart als proefproject voor drie jaar. Het project wordt gefaciliteerd door het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM), dat ook de Kijkwijzer en PEGI beheert.
Meer informatie vindt u op de website van Kijkwijzer.

Themapakket voor professionals

Naast de drie initiatieven van de overheid die rechtstreeks op ouders gericht zijn, zijn er ook initiatieven voor professionals in de jeugdsector. Slechts een van die initiatieven heeft tot doel om professionals hulp te kunnen laten bieden aan ouders. Dat is het themapakket 'Het digitale kind.com' van TOP-punt, een samenwerkingsverband van vier organisaties in de jeugdsector die themamaterialen rond opvoeden en opgroeien ontwikkelen. Met het themapakket kunnen professionals in de jeugdgezondheidszorg, de kinderopvang, het onderwijs, het welzijnswerk en de jeugdzorg zelfstandig een bijeenkomst over kinderen en computers verzorgen voor ouders van 4- tot 14-jarige kinderen. 
Meer informatie over 'Het digitale kind.com' vindt u op de website van TOP-punt.

Mediacoach

Een andere activiteit voor professionals is de opleiding tot mediacoach. Dit is een post-hbo- opleiding, die wordt georganiseerd door de non-profitorganisatie Nationale Academie voor Media & Maatschappij. Het doel van deze organisatie is het verbeteren van de mediawijsheid van professionals die met kinderen en jongeren werken. De opleiding richt zich onder anderen op mediatheek- en bibliotheekmedewerkers, leerkrachten en PABO-studenten. Na het volgen van de opleiding is de mediacoach in staat om op didactisch verantwoorde wijze mediaprojecten te initiëren die de mediawijsheid van kinderen en jongeren verbeteren. De training is dus uiteindelijk gericht op het mediagebruik door kinderen en niet zozeer op de media-opvoeding door ouders.
Meer informatie vindt u op de website Nationale Opleiding MediaCoach.

Mediapedagogiek

In Zwolle biedt de NHL Hogeschool de masteropleiding 'mediapedagogiek'. Na de deeltijdstudie van twee jaar moet de pedagoog een zinvolle verbinding kunnen maken tussen opvoeding, onderwijs en nieuwe media. De studie richt zich zowel op de theorie als op de praktijk.
Meer informatie over mediapedagogiek vindt u op de website van de NHL Hogeschool.


Mediawijsheid Expertisecentrum

In mei 2008 is het Mediawijsheid Expertisecentrum opgericht. Daaraan lagen twee belangrijke adviezen ten grondslag:

Netwerkorganisatie

Het Mediawijsheid Expertisecentrum bestaat uit een kerngroep van vijf organisaties: het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, het Platform voor de Informatiesamenleving, Kennisnet, de Publieke Omroep en de Vereniging van Openbare Bibliotheken. Daarnaast dragen bijna honderdveertig organisaties bij aan de doelstellingen van het expertisecentrum. De kerngroep wordt bijgestaan door een adviserende programmaraad en legt verantwoording af aan het ministerie van OCW. Het Mediawijsheid Expertisecentrum is vooralsnog vooral een netwerk en alleen beschikbaar als virtuele omgeving op internet:

Loketten

Het expertisecentrum heeft nog geen fysiek gebouw. Voor de invulling van de publieksfunctie, in de vorm van loketten, wordt gedacht aan vestiging in bibliotheken, Centra voor Jeugd en Gezin en het Instituut voor Beeld en Geluid. Ook de betrokkenheid van ouders moet nog gestalte krijgen, bijvoorbeeld door:

Doelen

Het Mediawijsheid Expertisecentrum heeft twee hoofddoelen:

Programmalijnen

Het programmaplan van het Mediawijsheid Expertisecentrum bestaat uit drie programmalijnen met verschillende thema's:   

U kunt het volledige programmaplan  pdf van het Mediawijsheid Expertisecentrum hier downloaden. 

Onderwijs

Veel activiteiten van het Mediawijsheid Expertisecentrum zijn gericht op het onderwijs. Kinderen leren op school bijvoorbeeld kritisch omgaan met het nieuws door het beoordelen van de krant, door bronnen te analyseren of door het maken een website. Scholen mogen zelf bepalen of en hoe ze aandacht besteden aan mediawijsheid. Wel stimuleert het kabinet scholen om mediawijsheid als vast thema op te nemen in hun lesprogramma. Daarvoor zijn er drie kerndoelen opgesteld. Leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs moeten in staat zijn om:

Scholen bepalen zelf hoe ze de kerndoelen vertalen in hun onderwijsprogramma. De onderwijsinspectie ziet toe op de naleving van de kerndoelen.

Bronnen

JGM (2005), Wijzer kijken: schadelijkheid, geschiktheid en kennisbevordering bij het gebruik van audiovisuele producten door jeugdigen  pdf. Den Haag, OCW. RvC (2005).

RvC (2005), 'Mediawijsheid: de ontwikkeling van nieuw burgerschap'. Den Haag, Raad voor Cultuur. Te downloaden via de site van de Raad voor cultuur  pdf.


Digivaardig & Digibewust

Het doel van het programma 'Digivaardig & Digibewust' van het ministerie van Economische Zaken is zo veel mogelijk Nederlanders in staat te stellen op een veilige manier deel te nemen aan de digitale informatiemaatschappij. Opvoeders, zoals ouders en docenten, vormen een belangrijke doelgroep. Op de website Mijndigitalewereld vinden zij uitleg van allerlei begrippen die met internetten en moderne communicatietechnologie te maken hebben. Ook bevat de website adviezen voor het begeleiden van kinderen bij het bewust gebruik van internet. 

Ouders en jongeren veilig online

Het programma 'Digivaardig & Digibewust' wordt uitgevoerd door werkgroepen die bestaan uit leden van organisaties op het gebied van mediabewustzijn en digitale vaardigheden. Een van de werkgroepen houdt zich bezig met 'ouders en jongeren veilig online'. Deze werkgroep richt zich op de kennis en vaardigheden die ouders en docenten moeten hebben bij het begeleiden van kinderen om risico's op internet te voorkomen. In samenwerking met het Mediawijsheid Expertisecentrum bekijkt de werkgroep welke activiteiten moeten worden ontwikkeld om ouders en hun kinderen bewust te maken van digitale veiligheid. 

Voorbeelden van activiteiten

Het programma 'Digivaardig & Digibewust' is onderdeel van het Insafe-netwerk van de Europese Unie (meer informatie: www.saferinternet.org). Het programma wordt gefinancierd door de Europese Commissie, het ministerie van Economische Zaken en diverse bedrijven en instellingen, zoals Microsoft, UPC, KPN, SIDN (Stiching Internet Domeinregistratie Nederland), de branchevereniging van bioscopen NVB en de branchevereniging van de entertainmentindustrie NVPI. Het programma is gestart op 1 januari 2009 en loopt tot 2013. Het is een vervolg op het programma 'Digibewust' dat sinds 2006 een bijdrage heeft geleverd aan veilig internetgebruik door kinderen en hun ouders. Dat programma heeft geresulteerd in activiteiten als:


Hulpmiddelen

Een van de meest eenvoudige manieren om ervoor te zorgen dat kinderen niet te lang achter een beeldscherm zitten is het gebruik van een kookwekker. Als ouders met hun kinderen willen afspreken dat de kinderen maar een beperkte tijd per dag mogen gamen, surfen of tv-kijken kan de kookwekker uitkomst bieden. Als de wekker afgaat is de tijd om; zeuren of soebatten heeft dan geen zin meer.

Filters voor internet

Diverse organisaties hebben technische hulpmiddelen bedacht voor ouders. Daarbij gaat het vooral om (filter)systemen om het computer- en internetgedrag van kinderen te kunnen reguleren. Met zulke programma's kan de tijd om te computeren worden vastgelegd en worden websites met seks of geweld geweerd. Sommige filters zijn gratis en worden bijvoorbeeld via internetproviders aangeboden. Andere hulpmiddelen worden door commerciële bedrijven aangeboden. Microsoft levert ook 'Parental Control filters' voor de besturingssystemen Vista of XP. Die filters zijn vooral gebaseerd op Amerikaanse media. Hulpmiddelen om het tv-kijken onder controle te houden zijn er niet.

Geschikte mediaproducties

Naast de filters om schadelijke media te weren, zijn er ook hulpmiddelen waarmee ouders een bewuste keuze kunnen maken voor geschikte media. Vooralsnog gaat het vooral om geschikte websites. Voor het kiezen van tv-programma's, games of bioscoopfilms die geschikt zijn voor kinderen van een bepaalde leeftijd zijn er nog geen hulpmiddelen. Het nog te ontwikkelen systeem voor geschiktheidheidinformatie moet daar op termijn verandering in brengen.

Voorlichting voor ouders

Er bestaan enkele initiatieven om ouders te ondersteunen bij de media-opvoeding. Een systematisch overzicht van zulke voorlichtingsactiviteiten ontbreekt echter. Veelal gaat het om ouderavonden die op school worden georganiseerd. Het aanbod van ouderavonden wordt geboden door ouder-schoolverenigingen, zoals Ouders & Co, NKO en VOO, en door privé-initiatieven. Ook bieden sommige bibliotheken cursussen waarmee ouders beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden en risico's van internet of waarmee het (voor)lezen thuis wordt gestimuleerd.  

Lespakketten voor het onderwijs

Voor het onderwijs bestaan er tal van lespakketten om kinderen 'mediawijs' te maken. De website Medialessen geeft bijvoorbeeld een overzicht van lessen over mediawijsheid en omgaan met internet. Op de website van het Mediawijsheid Expertisecentrum vindt u een overzicht van lessen en andere initiatieven: de Mediawijsheidkaart. De meeste lessen over media worden alleen op school gegeven. Slechts in een enkel geval worden de ouders thuis bij de lespakketten betrokken. Dat is opmerkelijk, want juist door ouderlijke betrokkenheid zou de effectiviteit van de lessen verhoogd kunnen worden. Eén lespakket over mediawijsheid is ook opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut: Reclame Rakkers. Opname in de databank betekent dat het pakket ten minste in theorie effectief is.

Websites, programma's en andere initiatieven

Hier vindt u een alfabetisch overzicht van Nederlandstalige websites, computerprogramma's en andere initiatieven om ouders te ondersteunen bij de media-opvoeding:

Brochures en rapporten

Kinderen en online video's pdf: een brochure voor ouders en scholen van Mijn Kind Online en Digivaardig & Digibewust met informatie en tips over wat kinderen tot 12 jaar met YouTube doen.

Mediawijzer brochures: verschillende brochures over kinderen en mobieltjes, gamen dvd's, Hyves en MSN'en, niet alleen voor ouders van de gereformeerde gezindte.

Mijn kind op Hyves pdf: een brochure voor ouders en scholen van Mijn Kind Online en Digivaardig & Digibewust met informatie en tips over wat kinderen tot 12 jaar op Hyves doen.

Mijn puber op Hyves pdf: een brochure voor ouders en scholen van Mijn Kind Online en Digivaardig & Digibewust met informatie en tips over wat pubers op Hyves doen.

Mijn puber op YouTube pdf: een brochure voor ouders en scholen van Mijn Kind Online en Digivaardig & Digibewust met informatie en tips over wat kinderen van 13 jaar en ouder met YouTube doen.

Next Level pdf: een onderzoeksrapport van Mijn Kind Online over casual games op het internet met tips voor ouders over geschikte games.

Uw kind op internet: een beeldboek voor ouders over internet-opvoeding van Mijn Kind Online.

Uw tiener en het internet pdf: een brochure met achtergrondinformatie over jongeren en hun internetgebruik en algemee tips voor ouders van het Trimbos instituut.

Virtueel = echt!  pdf: Een brochure van internetprovider Online met achtergrondinformatie voor ouders over het internetgebruik van kinderen.

Computerapplicaties

Benzoy: een betaald programma waarmee ouders en leerkrachten samen met de kinderen vastleggen welke websites wel of niet bezocht mogen worden en hoe lang. De instellingen zijn zowel door kinderen als opvoeders in te zien, maar het beheer gebeurt online door de ouder of leerkracht. Daardoor zijn meerdere pc's in huis of op school controleerbaar.

MyBee: een gratis internetomgeving (kinderbrowser) voor kinderen tot 12 jaar. Ouders beoordelen samen met een redactie de geschiktheid van websites voor kinderen van een bepaalde leeftijd. 

Surfwijzer: een goedkoop te downloaden programma dat bijhoudt welke websites het kind wil bezoeken. Sites die op een zwarte lijst staan worden niet getoond. Ouders kunnen zelf ook sites toevoegen of toelaten. Een jaarabonnement kost 30 euro.

Timeslot: een gratis te downloaden programma dat per kind bijhoudt hoe lang hij achter de computer zit. Het programma zorgt ervoor dat de computer na de ingestelde tijd niet langer gebruikt kan worden. Ouders kunnen de tijd eenvoudig aanpassen als dat gewenst is.

YourSafetyNet: een betaald programma waarmee het computerverkeer gereguleerd kan worden, zoals specifieke websites toelaten of blokkeren, chatmogelijkheden en profielsites blokkeren, een waarschuwingssignaal afgeven aan ongewenste medechatters, webcamblokkade en een tijdrooster.

Ouderavonden en cursussen

Computer, stoel, tafel en lijf: ouderavond aangeboden door Mijn Kind Online.

Cyberouders: een initiatief van de Vereniging Openbaar Onderwijs om enerzijds ouders te betrekken bij het veilig internetgebruik van kinderen op school en anderzijds ouderavonden op scholen te helpen invullen.

Digitale media, vertrouwen of controleren?: een ouderavond aangeboden door de Nederlandse Katholieke Vereniging van Ouders.

Games, wat moet je ermee?: een ouderavond aangeboden door de Nederlandse Katholieke Vereniging van Ouders.

Kijkgedrag, bespreekgedrag: een ouderavond aangeboden door de Nederlandse Katholieke Vereniging van Ouders.

Kinderen en internet: ouderavond aangeboden door Mijn Kind Online.

MamaWeb: een cursus voor ouders en opvoeders waarin zij tips krijgen om hun kinderen te begeleiden bij het internetten en gewezen worden op de gevaren van internet. MamaWeb is onderdeel van FamilyWeb, een initiatief van de Overijsselse bibliotheken.

MediaGenius: Een aantal leerkrachten bieden workshops aan collega’s over kind en internet en verzorgen ouderavonden voor ouders en leerkrachten over mediawijsheid.

Media en reclame: een ouderavond door Media Rakkers over de invloed van media en reclame op kinderen.

Ouderavonden Kinderconsument: diverse ouderavonden voor basis- en voortgezet onderwijs over kinderen en nieuwe media.

Thema-avond Veilig Internet: een ouderavond over kind en internet georganiseerd door de stichting Kinderen, opvoeding, educatie en internet.

Websites

Digipret: een project van de Openbare Biblotheek Hoogezand-Sappemeer om de taalontwikkeling bij jonge kinderen te stimuleren. Op de website kunnen ouders zien met welk thema en welke boeken hun kinderen op school of in de opvang bezig zijn. Thuis kunnen ze dan hetzelfde thema behandelen.

J/M Voor ouders, Opvoed ABC tot 12 jaar: enkele pagina's met achtergrondinformatie over tv kijken, gamen en commercie voor kinderen.

J/M Voor ouders, Opvoed ABC pubers: enkele pagina's met achtergrondinformatie over tv kijken, gamen en commercie voor kinderen van 13 tot 18 jaar.

Mama's Online: een website met achtergrondinformatie over internet en kinderen.

Mijn Kind Online: informatieve website met achtergrondinformatie over kinderen en moderne media voor ouders en leerkrachten. Ouders kunnen er gericht vragen stellen.

OudersOnline: een uitgebreide website met vragen van en antwoorden voor ouders, waaronder ook een forum over opvoeding, en een servicepagina over media, reclame en games.

Smsafzeggen: een website waar ouders ongewenste abonnementen voor bijvoorbeeld ringtones en andere telefoondiensten kunnen stopzetten.

Weet wat ze gamen: een website van Digivaardig & Digibewust, PEGI en OudersOnline met achtergrondinformatie over gaming en games. Voor ouders zijn er tien tips voor de opvoeding rond games: Tips pdf.

ZappOuders: een website van de publieke omroepen met tips en adviezen over het aanbod van kinderprogramma's en over media-opvoeding.


Instrumenten

Er komen steeds meer meetinstrumenten op het gebied van jeugd en media voor signalering, screening, diagnostiek of behandeling van kinderen en jongeren met problematisch mediagedrag. Ook zijn er onderzoeksschalen om vast te stellen in hoeverre ouders hun kinderen begeleiden bij het mediagebruik. De meeste meetinstrumenten zijn vooralsnog eerder bestemd voor wetenschappelijke doeleinden dan voor professionals in de jeugdsector. Op termijn kunnen ze daar echter wel gebruikt worden.


instrumenten voor ouders

Een van de meest simpele manieren om ervoor te zorgen dat kinderen niet te lang achter een beeldscherm zitten is het gebruik van een eierwekker. Als ouders met hun kinderen willen afspreken dat de kinderen maar een beperkte tijd per dag mogen gamen, surfen of tv kijken kan de eierwekker uitkomst bieden. Bij ouders willen kinderen nog wel eens zeuren of soebatten om toch elke keer weer iets langer te mogen doorgaan. Een eierwekker is daarentegen onverbiddelijk. Tijd is tijd en het heeft geen zin om aan zo'n instrument te vragen of het toch nog iets langer mag.

Diverse organisaties hebben andere technische hulpmiddelen bedacht voor ouders. Alle systemen zijn bedoeld om het internetgedrag te reguleren. Sommige filtersystemen zijn gratis en worden bijvoorbeeld via internetproviders aangeboden. Andere hulpmiddelen worden door commerciele bedrijven aangeboden. Daarnaast zijn er ook hulpmiddelen om een bewuste keuze te maken voor geschikte media-inhouden; dat wil zeggen geschikte websites. Voor het kiezen van geschikte tv programma's, games of bioscoopfilms zijn geen hulpmiddelen voor ouders. Hieronder noemen we enkele Nederlandstalige instrumenten.

Filtersystemen

Benzoy, een betaald programma waarmee ouders of leerkrachten samen met de kinderen vastleggen welke websites wel of niet bezocht mogen worden en  hoe lang. De instellingen zijn zowel door kinderen als de opvoeders in te zien, maar het beheer gebeurt online door de ouder of leerkracht. Daardoor zijn meerdere pc's in huis of op school controleerbaar.

Krowser, een interface die de bediening van Windows op het internet versimpelt en voor jonge kinderen controleerbaar houdt. Ouders of professionele begeleiders kunnen de lijst van te bezoeken websites beheren. Kinderen kunnen daardoor niet op ongeschikte sites terecht komen, terwijl popups en dialoogvensters geweerd worden. Er is zowel een thuisversie als een schoolversie.  

Surfwijzer, een te downloaden programma dat bijhoudt welke websites het kind wil bezoeken. Sites die op een zwarte lijst staan worden niet getoond. Ouders kunnen zelf ook sites toevoegen of toelaten. Een jaarabonnement kost 30 euro.

Timeslot, een gratis te downloaden programma dat per kind bijhoudt hoelang die achter de computer zit. Het programmaatje zorgt ervoor dat de computer na de ingestelde tijd niet langer gebruikt kan worden. Ouders kunnen de tijd eenvoudig aanpassen als dat gewnst is.

YourSafetyNet, een betaald programma waarmee het computerverkeer gereguleerd kan worden, zoals specifieke websites toelaten of blokkeren, chatmogelijkheden en profielsites blokkeren, een waarschuwingssignaal afgeven aan ongewenste medechatters, webcamblokkade en een tijdrooster.

Keuzehulpmiddelen

Totlol, een aparte site van Youtube met filmpjes voor jonge kinderen tot 6 jaar. De inhoud van de site wordt gecontroleerd en onderhouden door ouders zelf.

Mybee, een gratis kinderbrowser. Ouders leveren zelf sites aan voor Mybee waardoor een witte lijst van geschikte kindersites gecreeerd wordt.

Online brochure  pdf, een gratis brochure van internet provider Online voor ouders met achtergrondinformatie over het internetgebruik van kinderen.


Instrumenten voor professionals en onderzoekers

In Nederland is vooral het onderzoekscentrum Jeugd en Media van de Universiteit van Amsterdam actief in het vaststellen van effecten van de media op kinderen. Het onderzoekscentrum is internationaal bekend als Center for research on Children, Adolescents and the Media (CcaM). Hier vindt u diverse meetinstrumenten die de onderzoekers van CcaM hebben ontwikkeld.

Gameverslaving

Voor zover bekend is er slechts één wetenschappelijk gefundeerd instrument in de maak om gameverslaving bij jongeren vast te stellen (Lemmens, Valkenburg en Peter 2009). Dit meetinstrument is gebaseerd op de criteria voor gokverslaving in het psychiatrisch handboek 'DSM-IV-TR'. Door zelfrapportage wordt gemeten in welke mate een jongere in het afgelopen half jaar voldeed aan zeven verslavingscriteria: aantrekkingskracht, tolerantie, stemmingswisseling, terugval, ontwenningsverschijnselen, conflicten met de omgeving en problemen met zichzelf. Zowel de uitgebreide vragenlijst met drie items per criterium als de verkorte vragenlijst (één item per criterium) hebben een hoge construct- of begripsvaliditeit, dat wil zeggen dat zij ondersteund worden door de onderliggende theorie.
Meer informatie over het meetinstrument voor gameverslaving vindt u op de website van CcaM.

Angstreacties

Ook hebben de onderzoekers van CcaM een meetinstrument ontwikkeld om bij kinderen vast te stellen in hoeverre zij bang worden van beelden op televisie. Er wordt onderzocht hoe bang kinderen worden van interpersoonlijk geweld, oorlogen en lijden, rampen en ongelukken, en fantasiefiguren. Meer informatie over dit onderzoeksinstrument vindt u op de website van CcaM. 

Geruststelling

Het meetinstrument 'Geruststellingsstrategieën bij televisieveroorzaakte angst' is door CcaM ontwikkeld om vast te stellen in hoeverre kinderen verschilende technieken toepassen om zichzelf gerust te stellen (Valkenburg, Cantor en Peeters 2000). Er zijn vier manieren waarop kinderen hun angsten bij het tv-kijken in bedwang houden: fysieke interventie (bijvoorbeeld handen voor de ogen houden), cognitieve geruststelling (hardop zeggen dat het niet echt is), sociale steun zoeken (bij de ouders op schoot gaan zitten) en escape (de televisie uitdoen of een ander net opzoeken).
Meer informatie over de verschillende vormen van geruststelling die kinderen gebruiken vindt u op de website van CcaM.

Materialisme

Het effect van reclames op de houding van kinderen om veel te willen hebben kan worden vastgesteld met een vragenlijst over materialisme (Buijzen en Valkenburg 2003). De Nederlandse vragenlijst 'Materialisme' is een aangepaste versie van een buitenlands meetinstrument van materialisme bij jongeren. U vindt de vragenlijst op de website van CcaM.

Strategieën voor media-opvoeding

Verder bestaan er diverse meetinstrumenten om na te gaan in welke mate ouders het mediagebruik van hun kinderen begeleiden bij verschillende media of verschillende genres (Koolstra en Lucassen 2004; Nikken en Jansz 2006; Valkenburg, Krcmar, Peeters en Marseille 1999). Globaal meten al deze instrumenten de zelfde strategieën: restrictieve begeleiding, actieve begeleiding en gezamenlijke mediabeleving. Maar er zijn wel inhoudelijke verschillen. Zo is het bijvoorbeeld nog onduidelijk of, bij actieve begeleiding, uitleg geven bij een tv-programma of game van dezelfde orde is als het kritisch bespreken van bepaalde beelden (Nikken en Jansz 2006). Gericht onderzoek om tot verfijnde meetinstrumenten te komen is gewenst. Ook is het gewenst dat de ouderlijke begeleiding bij internet beter in kaart komt. 

Bronnen

Buijzen, M. en P. Valkenburg (2003), The unintended effects of television advertising: a parent-child survey', in: 'Communication Research', 30, p.483-503.

Koolstra, C. en N. Lucassen (2004), 'Viewing behavior of children and TV guidance by parents: a comparison of parent and child reports', in: 'Communications', 29, p.179-198.

Lemmens, J., P. Valkenburg en J. Peter (2009), 'Development and validation of a game addiction scale for adolescents', in: 'Media Psychology', 12, p.77-95.

Nikken, P. en J. Jansz (2006), 'Parental mediation of children's videogame playing: a comparison of the reports by parents and children', in: 'Learning, Media and technology', 31, p.181-202.

Valkenburg, P., M. Krcmar, A. Peeters en N. Marseille (1999), 'Developing a scale to assess three styles of television mediation: “restrictive mediation,” “instructive mediation,” and “social coviewing”', in: 'Journal of Broadcasting and Electronic Media', 43, p.52-66.

Valkenburg, P., J. Cantor en A. Peeters (2000), 'Fright reactions to television: a Child Survey', in: 'Communication Research', 27, p. 82-99.


Onderzoek

Hieronder vindt u een selectie van relevante onderzoeken die zijn opgenomen in de databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding. Deze databank bevat beschrijvingen van lopend en afgesloten onderzoek.


Literatuur

Hier vindt u enkele suggesties voor literatuur over mediaopvoeding. Dit is een selectie uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u elders op deze site ook zelf kunt zoeken naar literatuur.


Agenda

Meer congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.


Links

Hieronder staan alfabetisch geordend links naar organisaties die actief zijn op het terrein van media-opvoeding.


Begrippen

Hieronder vindt u een beknopte uitleg van begrippen die te maken hebben met mediaopvoeding. De omschrijvingen komen uit de Jeugdthesaurus, die u elders op deze site kunt raadplegen.


Publicaties Nederlands Jeugdinstituut

Hieronder vindt u een greep uit de publicaties over mediaopvoeding of aanverwante thema's. Elders op deze site vindt u een overzicht van alle NJi-publicaties.

Publicaties
Gratis downloads: Gratis download
Seksualisering: reden tot zorg?Graaf, H., de, Nikken, P., Felten, H., Janssens, K. en Berlo, W. van2009Gratis download
Wanneer u klachten hebt of lofNikken, P.2008Gratis download
Jongeren, media en seksualiteitNikken, P.2007Gratis download
Seks in de media en kinderenNikken, P.2006Gratis download
Kinderen en geweld in de mediaNikken, P. en C. Rijkse2002Gratis download