Kennis
Zoek

Rijksbeleid

Ministerraad stemt in met nieuwe wet VVE
De ministerraad heeft juni 2009 ingestemd met het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE). Het voorstel gaat nu naar de Tweede Kamer. Met de nieuwe wet, die 1 augustus 2010 in werking treedt, zijn gemeenten straks verplicht alle jonge kinderen met een taalachterstand voorschoolse educatie aan te bieden. Ook krijgen gemeenten een inspanningsplicht om deze doelgroep te bereiken.
Wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE)  pdf

Eerder formuleerde staatssecretaris Dijksma op 23 mei 2008 de voornemens van het kabinet in de beleidsbrief 'Ontwikkelingskansen door kwaliteit en organisatie'.

Volledig doelgroepbereik in 2011
Het rijksbeleid is er op gericht om per 1 augustus 2011 zowel in de voorschoolse als in de vroegschoolse periode alle doelgroepkinderen te bereiken met een programma voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Deze ambitieuze landelijke doelstelling bindt de individuele gemeente niet. Op 4 juni 2007 hebben Rijk en gemeenten het bestuursakkoord 'samen aan de slag' gesloten, waarin is afgesproken dat Rijk en gemeenten samen zullen optrekken in de verbetering en uitbreiding van VVE. Een belangrijk doel is nu om met een VVE-aanbod alle kinderen met taalachterstanden te bereiken. Het streefcijfer is hier dus in een relatief korte tijdsspanne opgehoogd van 50 procent via 70 procent naar 100 procent, deze laatste te bereiken in 2011. In enkele gebieden (Oost-Groningen, Zuid-Limburg, grote steden) worden pilots ingezet om aan het bereik van 100 procent te werken. In 'Samen aan de slag' is afgesproken dat de gemeenten ook eigen middelen inzetten, totaal 56,5 miljoen euro. Dit budget moet onder meer worden aangewend om ook instellingen voor kinderopvang VVE-programma’s te laten aanbieden. Zodoende moeten alle doelgroepkinderen bereikt kunnen worden. De gemeenten kunnen bepalen welke kinderen tot deze doelgroep behoren. In de bestuurlijke afspraken over VVE tussen rijk en gemeenten is vastgelegd dat de omvang van de doelgroep minimaal gelijk is aan het aantal voorschoolse doelgroepleerlingen (van 2,5 tot 4 jaar) op basis van de nieuwe gewichtenregeling.
Op de site van het ministerie is te lezen dat VVE bedoeld is voor ‘kinderen van 2 tot en met 5 jaar, die kans hebben op een (taal)achterstand. De gemeente bepaalt om welke kinderen het gaat met de gewichtenregeling als uitgangspunt. De opleidingsniveaus van de ouders zijn de belangrijkste criteria.’

Toeleiding
De jeugdgezondheidszorg heeft een belangrijke rol bij het signaleren van risico’s op taal- en ontwikkelingsachterstanden. Om deze rol optimaal te kunnen vervullen zal het RIVM een omgevingsanalyse ontwikkelen. Gemeenten krijgen meer beleidsruimte om het OAB-budget in te zetten voor werving en toeleiding. Volgens het 'Besluit doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006-2010' mag hier tot nu toe maximaal 15 procent van het OAB-budget aan worden besteed. Daarbij kunnen zonodig ook dwangmiddelen worden ingezet, voor ouders die niet zonder meer bereid zijn hun kinderen aan VVE te laten deelnemen. De toeleiding naar VVE zou hand in hand moeten gaan met de toeleiding naar inburgering of volwasseneneducatie.

Kosten van VVE
In 2007 zijn twee studies over de kosten van VVE verschenen.

  • Van der Vegt, A., S. Rutten en B. Schonewille, 'Vier dagdelen VVE, kosten, organisatorische gevolgen en te verwachten effecten', Utrecht; Sardes, 2007.
  • Gemmeke, M. en M.van Gent, 'Regelgeving en financiering kinderopvang en peuterspeelzalen, Amsterdam, Regioplan, 2007.

Sardes rapporteerde over de kosten, organisatorische gevolgen en te verwachten effecten van VVE volgens de vier dagdelen norm. VVE-aanbod van goede kwaliteit zou volgens gangbare wetenschappelijke kwaliteitsnormen vier dagdelen moeten beslaan. Een 'gewone' peuterplaats van twee dagdelen kost ongeveer 1.135 euro, een VVE (of voorschool) peuterplaats van vier dagdelen kost ongeveer  2.000 euro extra. In de studie van Regioplan is te lezen dat de ouderbijdrage die peuterspeelzalen vragen bij 60 procent van de instellingen inkomensafhankelijk is, bij 40 procent vast.