
Interview met programmamanager Regionale aanpak kindermishandeling
Overgenomen uit het tijdschrift Jeugd en Co, jaargang 4, nummer 4, juni 2010.
'We liggen op schema’, meldt programmamanager Peter van der Linden van het Nederlands Jeugdinstituut. ‘Regionaal zijn de randvoorwaarden gecreëerd om kindermishandeling doeltreffend aan te pakken. Denk daarbij aan samenwerkingsafspraken, een werkplan om de bestaande situatie te verbeteren en scholingsplannen om beroepskrachten en vrijwilligers toe te rusten voor hun aandeel in de bestrijding van kindermishandeling.’
De inspanningen in de regio’s waren in eerste instantie vooral gericht op het organiseren van de uitvoering van een sluitende aanpak. Uit een enquête van adviesbureau Berenschot en het Verwey-Jonker Instituut blijkt dat daardoor de samenwerking nu anders georganiseerd is en andere samenwerkingspartners kent dan voorheen. Bovendien zien de respondenten een toename en kwaliteitsverbetering van het zorgaanbod bij kindermishandeling. Of die resultaten alleen toe te schrijven zijn aan de regionale aanpak is niet zeker. Misschien spelen ook andere ontwikkelingen een rol, zoals nieuwe vormen van samenwerking rond de Centra voor Jeugd en Gezin, de publiekscampagne tegen kindermishandeling 'Wat kan ik doen' en de voorgenomen invoering van de verplichte Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.
In ieder geval leidt de regionale aanpak overal in Nederland tot initiatieven tegen kindermishandeling. Zo hebben regiocoördinatoren zendtijd gekocht bij een regionale omroep om burgers alert te maken op kindermishandeling, heeft een woningbouwcorporatie een protocol ontwikkeld om het signaleren en melden van huiselijk geweld en kindermishandeling te stimuleren, en zijn er consulten bij huisartsen ingekocht om aandacht te vragen voor kindermishandeling. En na scholing van verplegend personeel van de Spoedeisende hulp, bijvoorbeeld in Den Haag, blijkt het aantal meldingen spectaculair te stijgen.
Van der Linden: ‘Je ziet dat kindermishandeling op de agenda staat, ook bij voorzieningen en beroepskrachten die daar voorheen weinig aan deden. Niet alleen Centra voor Jeugd en Gezin maar ook scholen, ziekenhuizen, kinderopvang en asielzoekerscentra timmeren aan de weg. Vooral de medische wereld laat zich niet onbetuigd. Een mooi voorbeeld is het protocol oudermeldingen van ziekenhuizen, het AMK, ambulancediensten en huisartsenposten in de regio Haaglanden. Daarin is afgesproken dat zij het AMK betrekken als ze te maken krijgen met ouders die suïcidaal zijn of psychiatrische of verslavingsproblemen hebben. Uit onderzoek blijkt dat er bij 98 procent van de meldingen inderdaad sprake is van kindermishandeling. Doordat mensen in een crisis eerder bereid zijn hulp te aanvaarden, is het mogelijk om bij 80 procent van die gezinnen vrijwillige hulp in te zetten.’
Op 1 januari 2011 zijn dus overal in Nederland de randvoorwaarden aanwezig voor een sluitende aanpak. Van der Linden: ‘Nu is het zaak dat al die plannen, richtlijnen, afspraken en protocollen in praktijk gebracht blijven worden. Daarom zoeken we naar mogelijkheden om toe te zien op het nakomen van afspraken en de kwaliteit van de netwerken. Ook willen we onderzoek doen op grond waarvan het beleid bijgesteld kan worden. Onder andere de invoering van de verplichte meldcode biedt daartoe aanknopingspunten. Instellingen met meer dan twintig personeelsleden moeten in dat kader straks een contactpersoon of aandachtsfunctionaris hebben. We onderzoeken nu met de regiocoördinatoren of we een regio-overstijgend netwerk van aandachtsfunctionarissen kunnen vormen. Zij zijn dan niet alleen contactpersoon voor de verplichte meldcode maar zorgen ook dat handelingsprotocollen en scholingsplannen niet in een la verdwijnen.’
De vraag blijft natuurlijk of je er daarmee bent. Van der Linden: ‘Uit de regio’s krijgen we signalen dat er nog steeds behoefte is aan ondersteuning om samenhang, kwaliteit en duurzaamheid te garanderen. Bijvoorbeeld door de financiering van een coördinator. Om op de lange termijn effecten te realiseren, moet dit soort projecten een structureel karakter krijgen en gevolgd worden, bijvoorbeeld door cijfers te verzamelen over aard en omvang van kindermishandeling. Onderzoek, monitoring en agendering zijn daarom essentieel. Bovendien ging de aandacht bij het project vooral naar signaleren, doorverwijzen, melden en meldcode. Dat is logisch, maar het is slechts een begin.’
‘Een volgende stap is werken aan goede diagnostiek en een effectief hulpaanbod. Wil je kindermishandeling een halt toeroepen, dan heb je een lange adem nodig. Kinderen zijn niet geholpen met alleen een kortdurend projectaanbod. Of de landelijke overheid daarin wil investeren? Het ministerie staat er niet onwelwillend tegenover, maar het uiteindelijke besluit ligt bij het volgende kabinet.’
Meer informatie over Peter van der Linden (biografie, projecten en publicaties).