Home  > Kennis  > Dossiers  > Geboorte  > Gezinsleven > Netwerk

De Gezinswijzer
Kennis over gezinnen en gezinsbeleid.

Over opvoeden gesproken (2010)
Boek met overzicht van methoden van opvoedingsondersteuning.

Opvoedingsondersteuning (2009)
Handreiking voor Centra voor Jeugd en Gezin.

Triple P
Methode van positief opvoeden die het Nederlands Jeugdinstituut verspreidt.


Bent u professional in de jeugdsector? Wij stellen uw reactie op dit dossier op prijs.

Uw reactie Uw reactie


Print Print pagina of dossier

Print deze pagina

Print het complete dossier

Of print een selectie
Nieuws
Achtergronden
Gezinsleven
Praktijk
Beleid
Onderzoek
Literatuur
Agenda
Links
Begrippen

Netwerk

Het hebben van een opvoednetwerk is een belangrijke beschermende factor tegen het ontstaan van opvoedproblemen.

Het belang van het opvoednetwerk

De biologe en antropologe Hrdy (2009) onderbouwt dat vrouwen al vanaf de oudheid na de bevalling en in de eerste levensfase van het kind behoefte hebben aan de steun van andere vrouwen. Zij maakt het aannemelijk dat mensen menselijk werden doordat ze samen de kinderen gingen voeden en verzorgen.
Beginnende ouders willen het juiste doen: voor hun kind, voor zichzelf en ook door de ogen van de samenleving. 'Meer mededogen met ouders en zicht hebben op hun leerproces is wenselijk om beginnende ouders te steunen in hun ouderschapsgroei. Een solidaire gemeenschap is essentieel voor het opdoen van 'goede ouder'- ervaringen' (Hoek 2010).
Prille moeders zoeken contact met andere vrouwen die net zijn bevallen, bijvoorbeeld vrouwen die ze kennen van zwangerschapgymnastiek of uit het ziekenhuis. Van der Pas (2005) ziet sociale steun en een solidaire samenleving die oog heeft voor de kwetsbaarheid van ouders, als buffers tegen de invloed van tegenslag op de dagelijkse opvoeding. In de praktijk wordt netwerkvorming gestimuleerd door groepsgesprekken op consultatiebureaus/Centra voor Jeugd en Gezin en de kinderopvang, onderling contact op internet, zoals de fora op Ouders Online, en interventies zoals Home-Start en Moeders informeren Moeders.

Meer aandacht voor opvoednetwerk in beleid

In het advies 'Investeren in kinderen' (2009) bepleiten de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg meer aandacht voor de sociale inbedding van gezinnen in de maatschappij. Ze baseren zich op buitenlands onderzoek waaruit blijkt dat sociale netwerken een positief effect hebben op de opvoedkwaliteit van ouders en het opgroeiklimaat voor kinderen. In zijn reactie op het advies heeft minister Rouvoet verklaard dat hij met zijn beleid gezinnen in hun sociale omgeving positief wil versterken. De Centra voor Jeugd en Gezin gaan een belangrijke rol vervullen in de versterking van de sociale samenhang en leefbaarheid (Rouvoet 2009). Ook stelt het kabinet tot en met 2011 6 miljoen euro per jaar beschikbaar voor het programma Vrijwillige inzet voor en door jeugd en gezin. Dat programma is gericht op versterking van de pedagogische 'civil society' op lokaal niveau. Het programma is ontwikkeld door ZonMw, Movisie en het Nederlands Jeugdinstituut.

Hoge verwachtingen

Hoge maatschappelijke verwachtingen maken het moeilijker voor ouders om vragen te stellen over ouderschap en opvoeden. Ouders willen 'het goede' doen. In hun oordeel over hun eigen gedrag spelen niet alleen hun eigen normen een rol, maar ook maatschappelijke verwachtingen. De verwachtingen die de maatschappij heeft van gezinsopvoeding zijn groot. Ouders moeten hun kinderen tot goede burgers opvoeden (Hoek 2008, CBS burgerschappannel 2009). Ook bestaat er een ideaalbeeld van de 'goede moeder' en hangen er rond zwangerschap en kinderen krijgen veel roze wolken. Moeders moeten vooral genieten van hun kind (Castelein 2009). Deze opvattingen geven de ouders, en vooral de moeders, weinig ruimte om te praten over wat hen tegenvalt en over andere negatieve gevoelens.

Behoefte om uit te wisselen

Na de geboorte van hun kind zoeken ouders naar informatie en hebben ze grote behoefte ervaringen van anderen te horen, stellen de baby-deskundigen Vanderhaegen en Mossou (Spencer 2006). Deze ervaringen van anderen vormen voor ouders een referentiekader. Daarnaast hebben ouders vooral behoefte aan een luisterend oor. Ze willen praten over hun intense belevingen, zich uiten, ervaringen delen en verwerken, en nieuwe energie opdoen. Moeders ervaren deze contacten als emotionele en praktische steun. Hoek (2008) verduidelijkt dat ervaringen uitwisselen het leerproces van ouders stimuleert.

Eenzaamheid van prille ouders

Door de zorg en de verzorging van het jonge kind hebben ouders minder tijd voor contacten met de buitenwereld. Door de geboorte van een kind wordt de wereld van ouders kleiner. Ouders voelen zich verantwoordelijk, stellen vaak hoge eisen aan zichzelf en zijn, zeker bij het eerste kind, onzeker omdat zij een nieuw leven met een kind moeten vormgeven. Daardoor bestaat de kans dat een gezin in deze fase geïsoleerd raakt.

Voorkeur voor eigen familie

Ouders bespreken hun vragen het liefst met hun partner, hun vriendinnen of iemand uit hun familienetwerk (De Jongh en Vlek 2009). Uit onderzoek van E-Quality blijkt dat ongeveer de helft van de ouders hun opvoedvragen niet met mensen buiten het gezin bespreekt. Laagopgeleide moeders en migrantenmoeders bespreken hun vragen nog minder vaak buiten hun gezin of familie. Na de geboorte van het kind trekken familiebanden aan. De kwaliteit van deze relaties verandert meestal niet. Ze blijven meestal even goed, slecht of ambivalent als ze al waren (One plus One 2006). De meeste vrouwen hebben behoefte aan steun van hun eigen moeder. Maar niet alle vrouwen kunnen en willen contact hebben met hun moeder, bijvoorbeeld omdat hun relatie te ingewikkeld is. Het is onbekend hoeveel moeders een moeizame relatie hebben met hun eigen moeder. Uit onderzoek van Kretchmar en Jacobvitz (2002) blijkt dat prille moeders ruimte krijgen voor het opbouwen van een sensitieve relatie met hun baby door afstand te nemen van hun eigen moeder.

Bronnen

  • Daly, M. (2007). 'Parenting in contemporary Europe: a positive approach'. Straatsburg, Raad van Europa.
  • De Jong, J. en Vlek, O. (2009). 'Opvoeden kun je leren'. Amsterdam, Ruigrok Netpanel.
  • E-Quality (2009). 'Factsheet Behoefte aan opvoedingsondersteuning'. Den Haag: E-Quality.
  • Hoek, M. (2010). 'Ouderschapsgroei van beginnende ouders. Van besef van verantwoordelijk-zijn tot 'goede ouder'-ervaring'. Ouderschap & Ouderbegeleiding, jrg. 13, nr. 1, maart 2010, p. 27-38.
  • Hoek, M. (2008). 'Ontheemd ouderschap : betekenissen van zorg en verantwoordelijkheid in beleidsteksten opvoedingsondersteuning 1979 - 2002'. Amsterdam, SWP.
  • Hrdy, S. (2009). 'Mothers and others'. Cambridge, Belknap Press.
  • Kretchmar, M. & Jacobvitz, D. (2002). 'Observing Mother-Child Relationships Across Generations: Boundary Patterns, Attachment, and the Transmission of Caregiving', Family Process, Jaargang 41, nummer 3, p. 351-374.
  • Meer, T. van der, Dekker, P. en Steenvoorden, E. (2009). 'Continu Onderzoek Burgerperspectieven COB, hfstk. 4. Opvoeding en gezin'. Kwartaalbericht 2009/2, juli 2009, p. 28-33.
  • Pas, A. van der (2005). 'Eert uw Vaders en uw Moeders. Handboek Methodische Ouderbegeleiding', deel 3, Amsterdam, SWP.
  • One plus one (2006). 'The transition to parenthood: the "magic moment" London.
  • RMO & RVZ (2009). 'Investeren rondom kinderen'. Den Haag, Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling / Raad voor deVolksgezondheid en Zorg.
  • Rouvoet, A. (2009). 'Speech Rouvoet bij presentatie advies: Investeren rondom kinderen', 10 september 2009.