Home  > Kennis  > Dossiers  > Geboorte  > Gezinsleven > Opvoeden

De Gezinswijzer
Kennis over gezinnen en gezinsbeleid.

Over opvoeden gesproken (2010)
Boek met overzicht van methoden van opvoedingsondersteuning.

Opvoedingsondersteuning (2009)
Handreiking voor Centra voor Jeugd en Gezin.

Triple P
Methode van positief opvoeden die het Nederlands Jeugdinstituut verspreidt.


Bent u professional in de jeugdsector? Wij stellen uw reactie op dit dossier op prijs.

Uw reactie Uw reactie


Print Print pagina of dossier

Print deze pagina

Print het complete dossier

Of print een selectie
Nieuws
Achtergronden
Gezinsleven
Praktijk
Beleid
Onderzoek
Literatuur
Agenda
Links
Begrippen

Opvoeden

Ouders hebben de taak hun kinderen op te voeden. Voor sommige mensen begint ouderschap met hun kinderwens, bij anderen begint het tijdens de zwangerschap of na de geboorte van het kind. Hoe dan ook is de overgang die ouders meemaken na de geboorte van hun eerste kind groot. Ze ontwikkelen een nieuwe identiteit, de moeder moet herstellen en de baby vraagt de nodige zorg. Ouders ervaren stress op het gebied van hun fysieke en psychische gezondheid, de partnerrelatie en hun sociale activiteiten (Christie e.a. 2007).

Keuze voor ouderschap

De keuze voor ouderschap is meestal geen bewust proces. Het besluit om een kind te krijgen komt meestal niet tot stand na lang nadenken, uitvoerige discussie of lange termijnplanning. De ontwikkeling van de kinderwens begint voor veel vrouwen met een vaag besef dat ze ooit eens kinderen willen, de latente kinderwens. Deze ontwikkelt zich tot een manifeste kinderwens wanneer ze besluiten dat ze aan kinderen willen beginnen, er klaar voor zijn of dat het er tijd voor wordt. De tijd die dit proces van wikken en wegen in beslag neemt, varieert sterk. Mannen geven aan dat zij meestal pas later, vaak onder invloed van hun partner, bewust gaan nadenken over vaderschap (Dijkstra e.a. 2003). Ook Keizer ziet indicaties dat 'vooral de vrouw de doorslag geeft bij keuzen rond het krijgen van kinderen' (Evenblij, 2009, p. 32).

Voorwaarde voor realisatie kinderwens

Als de kinderwens concreet wordt willen de meeste aanstaande ouders dat daarvoor aan voldoende voorwaarden wordt voldaan. Opleiding, partner en 'er klaar voor zijn', zowel geestelijk als materieel, zijn de belangrijkste voorwaarden (Rijken, 2009). Vrouwen worden steeds ouder moeder. Daarvoor zijn diverse redenen aan te geven. In een CBS-onderzoek noemt de helft van de vrouwen die er voor kiezen pas na hun 29e moeder te worden als reden 'genieten van je vrijheid'. Een kwart van de vrouwen geeft een andere reden voor uitstel aan, zoals 'eerst werkervaring opdoen of carrière maken', 'geen partner', 'onzeker over relatie' en 'twijfel over kinderen krijgen' (De Graaf & Loozen, 2006; in Kraus, 2009). In haar proefschrift stelt Van Rijken (2009) dat positieve familie-ervaringen tijdens de jeugd een stimulans vormen voor het krijgen van kinderen. Conflicten tussen ouders leiden bij hun kinderen daarentegen tot uitstel van het krijgen van het eerste kind en tot een lager kindertal.

Het zelfvertrouwen van moeders

Wilkins (2005) stelt dat professionals zich zouden moeten richten op het versterken van het zelfvertrouwen van moeders en dat ze hen kunnen ondersteunen bij het opbouwen van hun eigen netwerk. Teveel schriftelijke of mondelinge informatie past niet bij de situatie van de meeste moeders. Wel hebben ze behoefte aan een luisterend oor voor hun persoonlijke vragen, 'praktische tips' en 'aanwijzingen' die hierop aansluiten.

Ouders willen het 'goed doen'

De eerste twee maanden bevinden de kersverse ouders zich in een onbekende situatie en moeten ze een nieuwe vorm voor hun gezamenlijk dagelijks leven vinden. In deze fase van 'niet weten' wordt de ouderidentiteit geboren. De eerste zorg van de jonge ouders is het 'goed te doen' (Wilkins e.a. 2005). Zoals Van der Pas (2003) beschrijft beseffen ouders bewust of onbewust dat ze verantwoordelijk zijn voor het lange termijn belang van het kind. Tegelijkertijd moeten zij in de dagelijkse praktijk uitvinden hoe ze die verantwoordelijkheid kunnen invullen.

Moeder worden

Vrouwen die de eerste keer moeder worden zijn het meest bezorgd over de gezondheid en het gedrag van het kind. Deze bezorgdheid kan in het begin gepaard gaan met gevoelens van onzekerheid, angst, er alleen voor staan en onbekwaamheid. Bij een tweede kind zijn moeders het meest bezorgd over de zorg voor het héle gezin en de balans tussen zorgtaken en arbeidstaken.

Meer aandacht voor vaders

Goodman (2005) bepleit dat professionals meer aandacht gaan besteden aan de betrokkenheid van de vader bij de dagelijkse zorg voor het kind. Verder geeft Engels onderzoek (Fatherhood Institute, 2010) aan dat er indicatie bestaat dat vaders last kunnen hebben van depressie na de bevalling en bij het opgroeien van het kind. Een op de vijf vaders heeft, voor het kind 12 is, door het ouderschap last van depressie; 4 procent had een depressie in het eerste jaar na de geboorte (Paulsen 2010).

Vader worden

Vaders ervaren net als moeders een sterk gevoel van verantwoordelijkheid. Toch komt het voor dat de vader de moeder ervaart als 'de poortwachter' die bepaalt hoe hij zijn verantwoordelijkheid kan omzetten in de zorg voor het kind. Onderzoek suggereert dat vaders meer de dagelijkse zorg voor het kind op zich nemen, wanneer moeders hen hiertoe meer stimuleren (Schoppe, 2008).
Wanneer vaders meer betrokken zijn bij de zorg voor kinderen, ook al gedurende de babytijd, voelen zij zich beter, voelen hun partners zich beter ondersteund en vertonen kinderen minder gedragsproblemen (Cowan 1999). Mannen kunnen wel het gevoel hebben dat hun relatie met het kind zich langzamer ontwikkelt dan die van de moeder. Keizer geeft aan dat kinderen voor mannen een bindende kracht betekenen. 'Voor vaders lijken kinderen een stimulans te zijn voor een groter belang van familie in hun leven' (Evenblij, 2009: 34).

Lichamelijk herstel moeder

Vrouwen krijgen volgens Castelein (2009) weinig ruimte om over hun eigen herstel en de overgang naar het ouderschap te praten. Het herstel van de moeder krijgt in publieksboeken weinig aandacht. Daarbij komt dat vrouwen ervaren dat professionals vaak meer aandacht hebben voor de gezondheid van het kind dan voor hen (Zwart 2009). Door de beeldvorming over moederschap, dat vaak als positief en gelukmakend wordt gepresenteerd, ervaren vrouwen weinig ruimte om te zeggen dat de hele situatie, het zorgen voor het kind en het kind zelf, hen soms tegenvalt. Van mannen worden zulke uitspraken eerder getolereerd.Volgens Castelein (2009) verkijken veel vrouwen zich op de fysieke gevolgen van de zwangerschap en de bevalling. Zij trekt deze conclusie op basis van interviews met oudere hoogopgeleide moeders. Hun herstel van zwangerschap en bevalling duurde langer dan ze hadden verwacht. Ook waren zij zich niet er van bewust dat hun leven zoveel zou veranderen en dat ze ook zélf zo zouden veranderen. Hun lichamelijk herstel wordt belemmerd door problemen bij het geven van borstvoeding, het slaap- en huilpatroon van de baby en de gebroken en korte nachten tijdens de eerste jaren van het ouderschap.

Postpartumdepressie

Na de bevalling kunnen veel vrouwen, door hormonale veranderingen en door lichamelijke problemen, last krijgen van een postpartumdepressie. Uit onderzoek (Blom e.a., 2010) blijkt de kans op depressie toeneemt als een vrouw tijdens de zwangerschap lichamelijke problemen heeft gehad. De symptomen van een postpartumdepressie lopen in intensiteit en duur uiteen.
Ongeveer de helft van de vrouwen heeft na de bevalling last van prikkelbaarheid, wisselende stemmingen en vermoeidheid. Meestal zijn de symptomen binnen twee weken na de bevalling verdwenen. Bij ongeveer 10 procent van de jonge moeders zijn de symptomen ingrijpender en langer van duur. Dan is er sprake van een postpartum depressie. In Nederland gaat het per jaar om 10 procent van de 200 duizend zwangere vrouwen, dus 20 duizend vrouwen.
Voor meer informatie zie de psychowijzer van het Fonds Psychische Gezondheid over postpartum depressie en het dossier over ‘Maternal depression' (2010) in de Canadese ‘Encyclopedia on early childhood development’ van de Universiteit van Montréal.

Op elkaar leren inspelen

Opgroeien en opvoeden zijn interactieve processen waarin kind en ouder elkaar wederzijds beïnvloeden. De stappen die een kind moet nemen in zijn ontwikkeling worden wel 'ontwikkelingstaken' genoemd. Complementair hieraan hebben ouders opvoedingstaken. In de eerste jaren staat de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie tussen kind en ouder centraal. In deze periode moeten de opvoeders sensitief en responsief reageren op de behoeften en signalen van het kind. In meerdere studies wordt benadrukt dat 'veiligheid bieden, verzorgen en zicht krijgen op het kind' in de babytijd op de eerste plaats komen (Van der Pas 2003). Ouders maken zich in het eerste levensjaar vooral zorgen over de gezondheid van hun kind.

Slapen van baby's

Naast de gezondheid van het kind zijn slaap- en huilproblemen een van de onderwerpen waarover ouders van baby’s de meeste vragen hebben. Ongeveer een kwart van de ouders ervaart dat hun kind slaapproblemen heeft. Pasgeboren baby's hebben een ander dag- en nachtritme dan volwassenen. Gemiddeld genomen slapen baby's van 3 tot 4 maanden zes uur aaneengesloten. Dat is nog altijd twee uur minder dan de nachtrust van veel volwassnen. Onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld bij ziekte, kunnen baby's en peuters moeilijk inslapen en slaapstoornissen hebben. De oorzaken kunnen liggen in de spijsvertering of een voedselallergie. Een gebrek aan gewoontevorming door ouders kan slaapproblemen in stand houden. Een duidelijk bedritueel kan helpen de wereld voorspelbaar te maken voor het kind. Een baby is gebaat bij regelmaat en voorspelbaarheid (GGD Groningen).
In het kader van het ZonMw programma Zorg voor Jeugd worden in de JGZ laagdrempelige verpleegkundige interventiemethoden ontwikkeld voor slaapproblemen van jonge kinderen. Het NJi-dossier Opvoedvragen besteedt aandacht aan dit onderwerp bij ‘Gezondheid en lichamelijke ontwikkeling’.

Huilbaby's

Van een 'huilbaby' is sprake wanneer een kind meer dan drie uur per dag voor meer dan drie dagen per week en langer dan drie weken huilt. Onderzoek van Van Sleuwen et al. (2008) laat zien dat een aanpak van regelmaat en prikkelreductie de huilduur met ongeveer de helft kan verminderen. Onderdeel van deze aanpak is het 'in slaap laten huilen'. Toen dit element opgenomen werd in de RIVM-conceptrichtlijn over excessief huilen tekende het Nederlands Instituut van Psychologen er bezwaar tegen aan. Het in slaap laten huilen zou negatieve psychische of neuropsychologische gevolgen hebben. Op het ogenblik wordt gewerkt aan een nieuwe multidisciplinaire richtlijn.

Bronnen

  • Blom E, Jansen P, Verhulst F, Hofman A, Raat H, Jaddoe V, Coolman M, Steegers E, Tiemeier H. (2010). Perinatal complications increase the risk of postpartum depression. British Journal of Obstetrics and Gynaecology (BJOG), Aug.04, 2010.
  • Christie. J., Poulton, B., Bunting, B. (2007). 'An integrated mid-range theory of postpartum family development: a guide for research and practice'. Journal of Advances Nursing, jaargang 61, nummer 1, p. 38-50.
  • Castelein, M. (2009). 'De mooiste tijd van je leven'. Amsterdam, Augustus.
  • Cowan, C. & Cowan, Ph. (2000). 'When partners become parents. The big life change for couples'. New Jersey, Lawrence Erlbaum.
  • Dijkstra, S, Zwaard, J. van der, Bolt, L. en Timmerman, G. (2003). 'Kiezen voor ouderschap?! Overwegingen en redeneringen van vrouwen en mannen over het krijgen van kinderen'. Den Haag, Ministerie van SZW.
  • Evenblij, M. (2009). 'Families in beeld'. Den Haag, Nederlandse Organisatie voor Wetenschapelijk Onderzoek.
  • Fatherhood Institute, (2010). 'Fathers and postnatal depression'. Londen: Fatherhood Institute.
  • Goodman, J. (2005). 'Becoming an involved father of an infant'. Journal of Obstetric, Gynecologic, and Neonatal Nursing, jaargang 34, p. 190-200.
  • Graaf, A. de & Loozen, S. (2006). 'Aantal oudere moeders neemt toe'. Webmagazine CBS.
  • Kraus, S. (2009). 'Een emancipatieparadox? Keuzevrijheid rond ouderschap in het emancipatie- en gezinsbeleid'. Den Haag, E-Quality.
  • Pas, A. van der (2003). 'A serious case of neglect. The parental experience of child rearing'. Delft, Eburon.
  • Paulsen, J. (2010). 'Prenatal and Postpartum Depression in Fathers and Its Association With Maternal Depression’ JAMA. 2010; 303 (19): 1961-1969.
  • Rijken, A. & Knijn, T. (2009). 'Couples' decision to have a first child: Comparing pathways to early and late parenthood. Demografic Research, Volume 21, article 26, p. 765-802.
  • Rijken, A. (2009). ‘Happy families, high fertility? Childbearing choices in the context of family and partner relationships’. Proefschrift Universiteit Utrecht, 25 september 2009.
  • Schaubroeck K. (2010). 'Een verpletterend gevoel van verantwoordelijkheid. Waarom ouders zich altijd schuldig voelen'. Breda: De Geus.
  • Schoppe-Sullivan S. et al (2008). Maternal Gatekeeping, Coparenting Quality, and Fathering Behavior in Families With Infants. Journal of Family Psychology. Volume 22, Issue 3, June 2008, p. 389-398.
  • Sleuwen, B. van (2008). 'Infants that cry excessively: The effect of regularity and swaddling'. Proefschrift Universiteit Utrecht.
  • Stauber, B. (2010). Transitions into Parenthood. Tübingen University / FamilyPlatform / European Commission. Te downloaden van www.familyplatform.eu.
  • Wilkins, C. (2005). 'A qualitative study exploring the support needs of first-time mothers on their journey towards intuitive parenting'. Midwifery (2006) jaargang 22, p. 169-180.
  • Zwart, J. (2009). 'Safe Motherhood: Severe maternal morbidity in the Netherlands'. Proefschrift Leids Universitair Medisch Centrum.