Home  > Kennis  > Dossiers  > Geboorte  > Gezinsleven > Opgroeien

De Gezinswijzer
Kennis over gezinnen en gezinsbeleid.

Over opvoeden gesproken (2010)
Boek met overzicht van methoden van opvoedingsondersteuning.

Opvoedingsondersteuning (2009)
Handreiking voor Centra voor Jeugd en Gezin.

Triple P
Methode van positief opvoeden die het Nederlands Jeugdinstituut verspreidt.


Bent u professional in de jeugdsector? Wij stellen uw reactie op dit dossier op prijs.

Uw reactie Uw reactie


Print Print pagina of dossier

Print deze pagina

Print het complete dossier

Of print een selectie
Nieuws
Achtergronden
Gezinsleven
Praktijk
Beleid
Onderzoek
Literatuur
Agenda
Links
Begrippen

Opgroeien

Voor een opgroeiend kind is het belangrijk dat het zich optimaal en gezond kan ontwikkelen. In die ontwikkeling spelen zowel aanleg als omgevingsfactoren een rol. Gedurende de levensloop beïnvloeden die elkaar wederzijds. Tijdens de zwangerschap en het eerste levensjaar vraagt vooral de gezondheid en de ontwikkeling van het kind de aandacht.

Zwangerschap en ontwikkeling van het kind

De kennis over de ontwikkeling van het ongeboren kind neemt toe. Daarbij gaat het niet alleen om kennis over erfelijke ziekten en de mogelijkheid om daarop te screenen. Bekend is ook dat angst, depressie en al dan niet chronische stress, inclusief werkstress, tijdens de zwangerschap een negatieve invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van de foetus en na de geboorte op de fysieke, emotionele en cognitieve ontwikkeling van het kind (Van den Berg, 2006; Vrijkotte e.a., 2009). De nadelige gevolgen daarvan kunnen doorwerken tot in de volwassenheid (Mennes, 2008). Ook is er steeds meer kennis over de negatieve invloed die het gedrag van de aanstaande moeder heeft op de ontwikkeling van het ongeboren kind. Het gaat dan om de gevolgen van roken, stress, emotionele klachten (Bruijn e.a. 2009a; 2009b), drugs, alcohol, bepaalde medicijnen zoals antidepressiva, en loodvergiftiging. Ook het voedingspatroon van zwangeren en de invloed van overwicht zijn onderwerp van onderzoek.
Verder is ook het psychisch welbevinden van moeders tijdens de zwangerschap van belang voor de ontwikkeling van het (dan nog ongeboren) kind. Veel kinderen van vrouwen die tijdens de zwangerschap last hebben gehad van emotionele klachten (zoals angst of depressie), vertonen gedragsproblemen.(Bruijn, 2010).

Deze kennisontwikkeling leidt tot kennisverspreiding en preventieve interventies. Zo pleit Van Keulen (2009) voor meer samenwerking tussen diëtist en verloskundige omdat het eetpatroon van sommige zwangere vrouwen niet optimaal is. En sommige verloskundigen houden kinderwensspreekuren om zo vroeg mogelijk voorlichting te geven over een gezonde zwangerschap.
Omdat emotionele problemen tijdens de zwangerschap het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden, pleit De Bruijn (2010) ervoor dat verloskundigen alerter zijn op emotionele klachten bij zwangere vrouwen. Met behulp van screeningsvragenlijsten zouden verloskundigen bijvoorbeeld de zwangere vrouwen met verhoogde emotionele klachten kunnen doorverwijzen voor psychologische hulp.

Aandacht voor lager opgeleide vrouwen

Tussen hoog- en laagopgeleide mensen bestaan grote gezondheidsverschillen die ook zichtbaar zijn tijdens de zwangerschap. Zo blijkt dat laagopgeleide vrouwen vaker een problematische zwangerschap hebben dan hoogopgeleide vrouwen (Silva, 2009). De gemeente Rotterdam heeft speciaal voor de laagopgeleiden een geboortecentrum geopend waar aanstaande moeders in een huiselijke omgeving onder begeleiding van hun eigen verloskundige kunnen bevallen als dat thuis niet mogelijk is.

Aandacht voor complicaties

Van de gevolgen van de bevalling op het kind zijn vooral complicaties onderzocht die van negatieve invloed kunnen zijn, zoals zuurstofgebrek, geelzucht, infecties en vroeggeboorte. Van de pasgeborenen heeft 1,5 procent een geboortegewicht van minder dan 1500 gram of een zwangerschapsduur van korter dan 32 weken. Vroeggeboren kinderen hebben vaker handicaps dan voldragen kinderen. De beperkingen liggen vooral op het gebied van bewegen, mentale ontwikkeling, functioneren van ogen en oren en de spraak- en taalontwikkeling. Vroeggeboorte komt vaker voor in combinatie met een hogere leeftijd van de moeder, een moeizamere hechting van ouders met het kind, geboorte- en thuiskomststress en gedragsproblemen (Van Keulen, 2009).
Negatieve gebeurtenissen voor of vlak na de geboorte maken kinderen op latere leeftijd overgevoelig voor stress. Dat blijkt uit promotieonderzoek van N. Bosch (2011). Als negatieve gebeurtenissen noemt Bosch: stress van de moeder tijdens en na de zwangerschap, roken en alcoholgebruik van de moeder, vroeggeboorte, licht geboortegewicht en ziekenhuisopname van moeder of kind kort na de bevalling.
Onderzoek van Kersten (2011) wijst uit dat veel kinderen van moeders die depressief waren na de bevalling, op zesjarige leeftijd minder goed tegen stress kunnen; verder hebben zij dan vaker aanpassingsproblemen op school. Ook maken ze moeilijker contact met leeftijdgenootjes. Een vroege interventie, gericht op het contact tussen moeder en baby, kan gedragsproblemen bij de kinderen voorkomen en hen extra weerbaar maken.

Monitoring van de ontwikkeling van het kind

Een baby is nog geen minuut oud of hij krijgt al zijn eerste rapportcijfer: de Apgarscore. Deze score is een beoordeling van de lichamelijke conditie van de baby. Dit is de eerste van vele beoordelingen van de ontwikkeling van kinderen. Meestal worden kinderen vergeleken met gemiddelden die bij een bepaalde levensfase horen. Kennis van het normale ontwikkelingsverloop is dan ook van belang om een uitspraak te kunnen doen over de noodzaak van preventieve of therapeutische maatregelen. TNO volgt sinds 1955 de groei en ontwikkeling van Nederlandse kinderen en vertaalt de gegevens in monitoring-instrumenten voor professionals. TNO doet ook onderzoek naar 'evidence based' verwijscriteria voor ontwikkeling en biometrie. Voor de lengtegroei heeft TNO op basis van de resultaten van de landelijke groeistudies een groeicalculator voor professionals en een groeicalculator voor ouders ontwikkeld.

Stimuleren van borstvoeding

Borstvoeding heeft positieve effecten op de gezondheid van zowel het kind als de moeder. Zo hebben kinderen die vier maanden borstvoeding krijgen minder kans op astma dan kinderen die geen borstvoeding krijgen. Borstvoeding verkleint ook de kans op overgewicht bij kinderen. Daarvoor is ook de duur van de borstvoeding van belang. Hoe langer die duurt, des te kleiner de kans dat kinderen obesitas krijgen (Van Keulen 2009). Borstvoeding bezorgt de moeder een lagere kans op premenopausale borstkanker en reumatoïde artritis (Thijs e.a. 2006). Om optimaal te kunnen profiteren van de positieve gezondheidseffecten adviseert de WHO om kinderen tot de leeftijd van zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven. Het Voedingscentrum voert in opdracht van het ministerie van VWS campagne om borstvoeding te stimuleren.
Ruim 80 procent van de Nederlandse moeders begint met borstvoeding. Na drie maanden geeft nog ongeveer 30 procent van hen borstvoeding. De meerderheid van de moeders stopt binnen zes maanden met het geven van borstvoeding omdat zij het lastig vinden om dit te combineren met een baan (Vogel, e.a., 2009). Voor meer informatie over beleid en uitvoering zie het RIVM Kompas.

Opgroeien als interactieve ontwikkeling

Het pasgeboren kind heeft voor zijn gezondheid en welbevinden op de eerste plaats behoefte aan adequate verzorging, een veilige omgeving en affectie, dat wil zeggen: geborgenheid, steun en begrip. Ouders spelen intuïtief én bewust op die behoeften in met een sensitief-responsieve houding. Daardoor stimuleren ze zijn ontwikkeling. Opgroeien en opvoeden zijn wederkerig processen. Een baby laat zijn behoeften blijken door lichaamshouding, gezichtsexpressie, oogcontact of wegkijken, glimlachen, sabbelen, geluidjes en huilen. Vanaf drie tot vier maanden begint het kind met het verkennen van de fysieke omgeving, onder andere door het vastpakken van voorwerpen. Met een maand of zes rollen baby's van buik naar rug en neemt hun bewegingsvrijheid toe. Dat mondt uit in het leren kruipen, staan en lopen. Vanaf de geboorte is een kind gericht op actieve interactie met de omgeving. Die interactie is het begin van zijn ontplooiing op verschillende ontwikkelingsdomeinen: de motorische, emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling en de taalontwikkeling.

Veilige hechting als basis

In de eerste jaren is de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie tussen kind en ouder cruciaal voor de ontwikkeling. Als ouders sensitief en responsief reageren op de behoeften en signalen van hun baby ontwikkelt het een basaal vertrouwen in de wereld en de mensen om zich heen. Dat is de basis van het zelfvertrouwen. 'Een baby die een betrouwbare en sensitieve opvoeding heeft ervaren, verwerft een gevoel van veiligheid in relatie tot de opvoeder. Het kind ontwikkelt een mentaal model waarin de opvoeder wordt gezien als iemand die in tijden van angst en spanning niet lang op zich laat wachten. Tegelijkertijd ontwikkelt het kind een beeld van zichzelf als iemand die bekwaam is om de omgeving naar zijn hand te zetten en de aandacht te krijgen die hij nodig heeft' (IJzendoorn 2008).

Ouderliefde en hersenontwikkeling

De hersens van baby's ontwikkelen zich na de geboorte verder. Gaerhardt (2004) wijst erop dat een pasgeboren baby beschikt over een aantal kant-en-klaar systemen waarvan de meeste nog incompleet zijn en zich verder ontwikkelen in reactie op ervaringen. In de eerste drie levensjaren vindt een snelle ontwikkelling van het sociale brein plaats. Dat sociale brein regelt stressreacties en responsiviteit. Dat is de basis voor het emotioneel functioneren. De ontwikkeling van het brein hangt dus onder andere af van de vroege ervaringen die een kind opdoet. Als deze ervaringen problematisch zijn, dan kunnen bepaalde biochemische systemen ongunstig worden afgesteld. Ook de groei van het brein zelf, die de eerste achtien maanden het snelst is, kan niet goed verlopen als de baby niet in de juiste omstandigheden leeft om zich te ontwikkelen. Veiligheid, liefde en stuctuur zijn belangrijk voor de gezonde ontwikkeling, stelt Gaerhardt.

Shakenbabysyndroom

Het Shakenbabysyndroom is een vorm van fysieke kindermishandeling waarbij een baby hersenbeschadiging oploopt doordat het door elkaar wordt geschud. Voor meer informatie zie: shakenbabysyndroom in het dossier kindermishandeling.

Bronnen

  • Bergh, B. van den, Mulder, E., Mennes, M. & Glover, V. (2006). 'Antenatal maternal anxiety and stress and the neurobehavioural development of the fetus and child: links and possible mechanisms. A review'. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, jaargang 29, nummer 2, p. 237-258.
  • Bosch, N. (2011). 'Adolescents in stress. The ups and downs of the psychophysiological stress response'. Rijksuniversiteit Groningen, promotie, 26 januari 2011.
  • Bruijn, A. de (2010). 'Tied to mommy s womb?. Prenatal maternal stress, postnatal parental interaction style and child development'. Proefschrift Universiteit van Tilburg, 4 juni 2010.
  • Bruijn, T. de, van Bakel, H. & van Baar, A. (2009a). 'Sex differences in the relation between prenatal maternal emotional complaints and child outcome'. Early Human Development, jaargang 85, 319-324.
  • Bruijn, T. de, Bakel, H.van , Wijnen, H., Pop, V. & van Baar, A. (2009b). 'Prenatal maternal emotional complaints are associated with cortisol responses in toddler and preschool aged girls'. Developmental Psychobiology, jaargang 51, p. 553-563.
  • Gerhardt, S. (2004). 'Why love matters. How affection shapes a baby's brain'. New York/Hove, Brunner-Routledge.
  • GGD Groningen (red.) (z.j.). 'Handboek gezonde jeugd 0-4'. Te downloaden van http://www.gezondejeugdgroningen.nl.
  • Goedhart-de Wolf, G. (2010). 'Perinatal health epidemiology in multi-ethnic Amsterdam: psychobiological processes'. Proefschrift Universiteit van Amsterdam
  • Keulen, M. van (2009). 'Jeugdgezondheidszorg: een gigantisch effect voor een prikkie'. http://ajn.artsennet.nl/, september 2009.
  • Kersten-Alvarez, L. (2011). ‘Children of mothers who were postpartum depressed: early intervention and developmental outcomes in their first school years’. Proefschrift Radboud Universiteit, 3 februari 2011.
  • Mennes, M. (2008). 'Longitudinal study on the effects of maternal anxiety during pregnancy: Neuropsychological and neurophysiological examination of cognitive control in the adolescent offspring'. proefschrift Universiteit Leuven.
  • Parker, R. & C. Hunter (2011). 'Supporting couples across the transition to parenthood'. Australian Family Relationships Clearinghouse.
  • Silva, L. (2009). 'Fetal Origins of Socioeconomic Inequalities in Early Childhood Health. The Generation R Study'. Proefschrift Erasmus Universiteit Rotterdam.
  • Thijs C., Kools, E, & Reijneveld, S. (2006). 'Gezondheidseffecten van borstvoeding'. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, jaargang 84 (2006), nummer 4, p 223-229.
  • IJzendoorn, M. van (2008). 'Het zware stempel van de opvoeding'. In IJzendoorn M. van (red.) (2008) 'Opvoeding over de grens. Gehechtheid, trauma en veerkracht'. p. 17-31. Meppel, Uitgeverij Boom Academie.
  • Verhulst, F. (2008). 'De ontwikkeling van het kind'. Assen, Van Gorcum.
  • Vogel, I, Raat, H., Rossem, L. van, Drongelen, K. van, Haisma, H.H., Mesters, I., Wouwe, J.P. van (2009). 'Borstvoeding in de eerste zes maanden'. Erasmus MC - Universitair Medisch Centrum, Rotterdam.
  • Vrijkotte, T. G. M, Wal, M. F. van der, Eijsden, M. van, Bonsel, G. J. (2009). 'First-trimester working conditions and birthweight: a prospective cohort study'. American Journal of Public Health, 2009; jaargang 99, nummer 8, p. 1409-1416.