|
Reacties op dit dossier |
|
|
Alleenstaande ouders en ouders in stiefgezinnen maken zich meer zorgen over hun kind dan ouders met tweeoudergezinnen. De achtergrond van de ouders speelt daarin wel een rol. Nederlandse ouders en ouders van Marokkaanse afkomst uit eenouder- of stiefgezinnen maken zich vaker zorgen over de ontwikkeling, het gedrag en de opvoeding van hun kind dan ouders van Turkse en van Surinaams/Antilliaanse afkomst in dezelfde situatie. JGZ-medewerkers bevestigen dat opvoedproblemen meer voorkomen in eenouder- en stiefgezinnen dan in andere gezinnen (Van Egten ea, 2008).
Een relatief groot aandeel van de ouders die hun kinderen in een eenoudergezin opvoeden, beleeft de opvoeding als zwaar. Dat blijkt uit onderzoek van Van Egten en collega's op basis van vragenlijstonderzoek en interviews onder ouders met een kind van 4 tot 12 jaar oud. Van de ouders uit Nederlandse en Surinaams/Antilliaanse eenoudergezinnen zegt 20 procent dat ze de opvoeding vermoeiend of een zware verantwoordelijkheid vinden. Van de tweeoudergezinnen uit die groep, inclusief stiefgezinnen, vindt maar 11 procent dat. Wel springen de Turkse en Marokkaanse opvoeders er in dit verband uit: 25 procent van de Turkse en 36 procent van Marokkaanse ouders vindt het opvoeden zwaar. In deze bevolkingsgroepen zijn eenouder- en tweeoudergezinnen niet apart bekeken.
Vergeleken met andere ouders zijn lager opgeleide ouders met eenouder- of stiefgezinnen relatief ontevreden over hoe de opvoeding verloopt. Van Egten en collega’s ondervroegen hierover vooral moeders. Een op de vier laagopgeleide ouders met een eenouder- of stiefgezin is ontevreden, tegenover een op de zes ouders met een tweeoudergezin. De laag opgeleide moeders staan ook vaker voor situaties in de opvoeding staan waarmee ze niet mee weten om te gaan. Bovendien blijkt juist deze groep het minst hulp en advies bij het opvoeden te vragen (Van Egten e.a., 2008).
Sinds 1 januari 1998 blijven ex-partners na de scheiding officieel samen de ouders van de kinderen. Voor die tijd werden kinderen aan één van de twee ex-partners toegewezen, meestal de moeder. Tegenwoordig houden ze dus samen het ouderlijk gezag. Sinds 1 maart 2009 is een ouderschapsplan verplicht bij een formele beëindiging van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenwonen, waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn. Zie ook: Rijksbeleid
Hoe goed na de scheiding het contact van ouders met hun kinderen is, hangt af van het contact dat ze hebben met hun ex-partner. Gescheiden ouders lijken een wat negatiever beeld te hebben van de relatie van hun kinderen met hun ex dan van de relatie die ze zelf met hun kinderen hebben. Van de vrouwen geeft 44 procent aan dat de relatie tussen hun kind en de vader slecht is, terwijl maar 18 procent van de mannen dit vindt. Omgekeerd noemt 70 procent van de mannen de relatie tussen hun kind en de moeder goed, tegenover 90 procent van de moeders. Dat zowel mannen als vrouwen de relatie van moeder en kind veel positiever beoordelen komt waarschijnlijk doordat kinderen in de meeste gevallen bij de moeder wonen en daardoor minder tijd met de vader doorbrengen (De Graaf, 2005).
Clement, C., Egten, C. van, Hoog, S. de (2008). Nieuwe gezinnen. Scheidingen en de vorming van stiefgezinnen. E-Quality.
Egten, C. van, Zeijl, E., Hoog, S. de, Nankoe, C. en Petronia, E. (2008). Gezinnen van de toekomst. Opvoeding en opvoedingsondersteuning. Den Haag: E-Quality.
Graaf, A. de (2005). Scheiden: motieven, verhuisgedrag en aard van de contacten. Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2005. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.