Het gezicht van de gedragswetenschapper
Folder over een nieuw competentieprofiel voor de gedragswetenschapper.

Het gezicht van de jeugdzorgwerker
Folder over een nieuw competentieprofiel voor de jeugdzorgwerker.


%fullname% Niels Zwikker is projectleider van deze databank en betrokken bij diverse trajecten voor professionalisering.

Stel een vraag

Onderscheid in varianten

In het overzicht bij- en nascholing aanpak kindermishandeling wordt onderscheid gemaakt tussen een basisvariant en plusvarianten, gebaseerd op de competenties in relatie tot de aanpak van kindermishandeling. Een medewerker in de jeugdzorg moet over andere kennis en vaardigheden beschikken dan een arts op de afdeling spoedeisende hulp of een onderwijzer. En een schoolmaatschappelijk werker of huisarts heeft deels andere competenties nodig dan een algemeen maatschappelijk werker of een internist. De handelingsmogelijkheden die beroepskrachten hebben en de daarvoor benodigde competenties, zijn mede afhankelijk van de taken en verantwoordelijkheden die zij vanuit hun functie hebben in het contact met jeugdigen en/of ouders. Wel moet iedereen tenminste de signalen van kindermishandeling kunnen opvangen en toetsen bij collega’s, ouders en/of jeugdige. Daarom is een onderscheid gemaakt tussen basiscompetenties die voor iedereen gelden en twee plusvarianten voor verschillende beroepsgroepen.

De basiscompetenties zijn voor alle beroepskrachten van toepassing. Ze geven weer wat iedereen tenminste moet weten en kunnen om kindermishandeling te kunnen aanpakken. Daar bovenop geldt voor beroepskrachten die een functionele verantwoordelijkheid hebben in het bespreken van vermoedens van kindermishandeling plusvariant 1. Voor beroepskrachten die hulp en/of bescherming bieden gelden naast de basisvariant ook plusvariant 1 en 2. Er is dus onderscheid te maken tussen scholingsaanbod dat richt op beroepskrachten uit de basisvariant, plusvariant 1 en plusvariant 2.

Basisvariant

Alle beroepskrachten die werken met kinderen en/of met ouders hebben een signaleringsverantwoordelijkheid. Van hen wordt verwacht dat zij zorgen rond kindermishandeling signaleren, toetsen bij collega’s, ouders en/of jeugdige, waar nodig advies vragen of melden bij het AMK en binnen wettelijke en juridische kaders informatie delen met anderen.

Plusvariant 1

Beroepskrachten met een bespreekverantwoordelijkheid. Zij worden in staat geacht om vermoedens van kindermishandeling met ouders en/of jeugdigen te bespreken. Ook wordt van hen verwacht dat zij in staat zijn om hulpverlening in gang te laten zetten en met andere beroepskrachten een taakverdeling af te spreken.

Plusvariant 2

Beroepskrachten die verantwoordelijk zijn voor hulpverlening en/of bescherming aan jeugdigen en gezinnen. Van hen wordt verwacht dat zij in staat zijn vermoedens van kindermishandeling uit te zoeken, hulp in gang te zetten en/of te coördineren en waar nodig bescherming in te (laten) zetten.