Staatssecretaris Van Bijsterveldt op mbo congres van Nederlands Jeugdinstituut: ‘Ik bel desnoods zelf met de voorzitters als er geen ZAT op het mbo is’ ‘Het kabinet geeft de mbo-instellingen jaarlijks een fiks bedrag bovenop de reguliere bekostiging voor de uitbouw van de zorgstructuur in de mbo-instellingen. Jaarlijks komt het neer op een bedrag van 103 miljoen euro. Hiermee kunnen de mentorgesprekken voor elke leerling geregeld worden en kan de loopbaanbegeleiding geïntensiveerd worden. Daarnaast maken we vanaf dit jaar structureel nog eens 15 miljoen euro extra vrij voor schoolmaatschappelijk werk in het mbo. Professionals die binnen de school met zorgtaken zijn belast: hier kunt u uw scholen dus concreet op aanspreken’. Met deze mededeling opende staatssecretaris Van Bijsterveldt van Onderwijs op 22 april de landelijke mbo-conferentie ‘Betere zorg minder uitval’ in Lunteren. De conferentie was georganiseerd door het Nederlands Jeugdinstituut samen met het ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het programmaministerie voor Jeugd en Gezin.
Staatssecretaris Van Bijsterveldt gaf aan dat slechts 15% van de gemeenten op dit moment investeert in de zorg op mbo-scholen. Gemeenten moeten meer over de brug komen, zo meende zij. De gemeenten behoren rugdekking te geven aan de mbo’s bij het opbouwen van de zorgstructuur. In het beroepsonderwijs heeft op dit moment 82% een Zorg- en adviesteam. ‘De overige scholen moeten een inhaalslag maken. En ik ga desnoods zelf met de voorzitters van de colleges van bestuur bellen als het volgend jaar niet op orde is’, aldus mevrouw Van Bijsterveldt.
In een gesprek met twee studenten werd ook duidelijk dat de problematiek op de mbo-scholen hoog is. De staatssecretaris gaf aan te overwegen of het niet mogelijk zou zijn scholen ‘trekkingsrecht’ te geven op zorgtrajecten in andere sectoren. Als een school heel veel werk steekt in de zorg voor leerlingen, is het pijnlijk te merken dat studenten vijf maanden moeten wachten op een vervolgtraject buiten de school. In een reactie uit de zaal werd duidelijk dat de mbo-scholen juist voor studenten tussen 19 en 23 jaar aanlopen tegen de wachtlijsten en de bureaucratie in de zorg.
De Nijmeegse wethouder voor onderwijs, H. Kunst maakte in haar inleiding voor de meer dan driehonderd congresgangers duidelijk dat het mbo voor de gemeente een belangrijke strategische partner is. Als je uitval wil voorkomen, gekwalificeerd personeel wil aantrekken op de arbeidsmarkt en initiatieven voor levenslang leren wil steunen, dan is een gedeelde visie op die zaken met het mbo noodzakelijk, zo betoogde wethouder Kunst. De gemeente Nijmegen investeert op aanzienlijke schaal in het mbo en verwacht dan ook met afspraken over inzet van jeugdzorg, een jongerenloket voor leerplicht en arbeidsmarkt, doorgaande zorglijnen te bouwen. De wethouder riep wel op om de zorg op haar effectiviteit te bezien. ‘Soms tref je zoveel zorg rond een leerling aan, dat je je echt afvraagt of dat effectief is’, aldus de wethouder.
In een forumdiscussie onder leiding van Inge Diepman riep de directeur Voortijdig Schoolverlaten Fred Voncken van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen het mbo op, de aanpak van de zorgstructuur niet kapot te structureren. Hij reageerde op de stelling dat de landelijke overheid met een oplossing moet komen voor situaties waar een ROC met veertig gemeenten moet overleggen over zaken als schoolmaatschappelijk werk en leerplicht. Hij onderkende de onmogelijkheid om zulke onderhandelingen doeltreffend te kunnen voeren.
Vanuit GGZ-Nederland gaf plaatsvervangend directeur G. van Gemert aan dat de omvang van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor kinderen en jongeren de laatste jaren met 20% is gegroeid. In 70% van de zorgteams neemt de ggz deel en in 50% de verslavingszorg. Die snelle groei onderstreept de problematiek in het middelbaar beroepsonderwijs en zet de preventieve taak van de ggz onder druk. Zorgverzekeraars en gemeenten zouden hierin dienen te investeren, aldus een breed onderschreven andere stelling uit de forumdiscussie. Mevrouw W. Lijs-Spek van het onderzoeksinstituut RIVM (centrum jeugdgezondheidszorg) meende dat het noodzakelijk was om in elk ZAT deelname vanuit de jeugdgezondheidszorg te regelen om zowel de psycho-sociale problematiek als de somatische problematiek van studenten aan te kunnen pakken.
Door verplichtingen in de kamer kon minister Rouvoet van Jeugd en Gezin niet aanwezig zijn tijdens een gepland vragenuurtje op de conferentie. Als alternatief heeft de minister later alsnog antwoord gegeven op de vragen van congresgangers.