
Seksualisering, reden tot zorg? (2009)
Rapport over de invloed van seksualisering op jongeren.
Jongeren, media en seksualiteit (2007)
Onderzoek naar de invloed van media op seksueel gedrag van jongeren.
Kenniskring Media-opvoeding
Ontwikkelt een product dat ouders helpt bij media-opvoeding.
Peter Nikken is specialist op het gebied van jeugd, media en opvoeding.
Stel een vraag
|
|
Gegevens over mediaopvoeding door ouders worden in Nederland niet systematisch verzameld. Hoewel bekend is dat kinderen en jongeren volop gebruikmaken van het enorme aanbod van allerlei media, is het onderzoek naar de ouderlijke bemoeienis daarmee fragmentarisch. Tot nu toe is de ouderlijke mediaopvoeding in Nederland vooral per medium onderzocht; er is nauwelijks onderzoek naar de ouderlijke begeleiding bij het gebruik van verschillende media. Verder hebben die studies betrekking op de begeleiding van kinderen van verschillende leeftijden, waardoor het lastig is om een goed overzicht van mediaopvoeding te krijgen. Overigens is in Vlaanderen de mediaopvoeding wel eens bij verschillende media tegelijk onderzocht (Van den Bergh en Van den Bulck 2001).
De mate waarin Nederlandse ouders het televisiekijken van hun kinderen begeleiden is vooral onderzocht in de jaren negentig van de vorige eeuw. Internet en games waren toen nog niet zo prominent aanwezig. Uit die televisiestudies komt steevast naar voren dat ouders toen vooral aan 'gezamenlijke mediabeleving' deden, zoals regelmatig met hun kinderen samen televisie kijken. In iets mindere mate zijn ouders geneigd om 'actief te begeleiden' en met hun kinderen te praten over wat er goed of fout is aan tv-programma's. Afspraken maken en programma's verbieden (restrictieve begeleiding) komt relatief het minst vaak voor. Ook uit de meest recente studie naar mediaopvoeding bij het televisiekijken, waarbij het ging om ouders van 10- tot 14-jarige kinderen, blijkt dat samen kijken het meest voorkomt en restrictieve begeleiding het minst (Koolstra en Lucassen 2004). De komst van internet en games lijkt de begeleiding bij het televisiekijken dus niet wezenlijk veranderd te hebben.
De mate waarin ouders het internetgedrag van hun 13- tot 18-jarige kinderen begeleiden is in 2007 onderzocht door het Sociaal en Cultureel Planbureau (Duimel en De Haan 2007). Samen internetten door ouders en kinderen komt bij deze leeftijdsgroep relatief weinig voor; de meeste jongeren zijn zelfstandig op internet. Naarmate ze ouder worden doen ze dat ook steeds meer op een eigen computer op hun slaapkamer. Actieve begeleiding geven ouders bij het internetten ook niet vaak: slechts één op drie ouders praat regelmatig met de jongere over wat hij op internet doet. De rest van de ouders doet dat nooit of minder dan eens per week. Verder wijst slechts 20 tot 40 procent van de ouders op de (on)betrouwbaarheid van informatie op internet of op de gevaren van geweld, porno en racisme. Het enige waar ouders wel oog voor hebben zijn de mogelijke gevaren van informatie over jezelf op internet prijsgeven. Een ruime meerderheid van de ouders (57 procent) wijst hun zoon of dochter daar wel eens op.
Ouders stellen wel vaak duidelijke regels over het maken van afspraakjes via internet en over hoe lang, wanneer en naar welke websites gesurft mag worden; 35 tot 45 procent van de ouders heeft hierover regels met hun kinderen opgesteld. Net als bij het onderzoek naar televisiebegeleiding is het echter de vraag of de ouderlijke mediaopvoeding overkomt bij de kinderen. Een aanzienlijk kleiner percentage jongeren dan hun ouders beaamt dat zij de afspraken naleven. De meerderheid van de ouders (56 procent) zegt het internetgedrag niet te controleren, omdat zij hun kind vertrouwen.
Onderzoek van Mijn Kind Online laat zien dat ouders bij kinderen van 2 tot 12 jaar vooral op een afstand hun kinderen begeleiden bij het internetgebruik (Nikken 2009). Ouders laten hun kind zelfstandig surfen, maar zorgen er wel voor dat ze in de buurt zijn en een oogje in het zeil houden. Vervolgens surfen ze ook regelmatig samen met de kinderen. Ouders doen dit vooral bij de allerjongste kinderen. In iets mindere mate stellen ouders ook regels over wanneer kinderen mogen internetten en welke sites goed zijn. Praten over wat kinderen op internet tegen kunnen komen en hoe je je veilig of sociaal op het internet gedraagt komt relatief het minst voor. Deze twee vormen van begeleiding komen echter wel relatief vaker voor bij de wat oudere kinderen.
De bemoeienis van ouders met het gamegedrag van hun 4- tot 18-jarige kinderen is in kaart gebracht door Nikken (2003). Bij het spelen van games komt de restrictieve begeleiding het meest voor. Zo controleert 63 procent van de ouders regelmatig welke leeftijdsclassificatie een spel heeft, 56 procent let erop welke spellen hun kinderen spelen en 46 procent laat hun kinderen toestemming vragen om bepaalde spellen te mogen spelen. Een kwart tot ruim een derde van de ouders bespreekt de inhoud van de games met hun kinderen. De ouders geven uitleg en wijzen op de goede en slechte kanten van een game of op de onechtheid ervan (actieve begeleiding). Regelmatig samen met de kinderen games spelen komt relatief het minst vaak voor; dat doet slechts één op de acht ouders.
Uit het onderzoek naar mediaopvoeding komt meestal naar voren dat ouders meer dan hun kinderen aangeven dat zij het mediagebruik begeleiden. Mogelijk overschatten ouders hun gedrag of doen zij zich in het onderzoek beter voor. Maar het is ook mogelijk dat ouders beter dan kinderen kunnen inschatten of zij werkelijk aan mediaopvoeding doen. Praten over televisie, internet of over games, of samen kijken, gamen of surfen is in de ogen van kinderen niet altijd herkenbaar als een bewuste vorm van mediaopvoeding. Mogelijk onderschatten zij de invloed van hun ouders.
Moeders geven in het algemeen aan dat zij de mediaopvoeding meer voor hun rekening nemen dan vaders. Dat wordt vaak herkend door de kinderen. Dat moeders meer actief zijn geldt vooral bij televisiekijken en gamen. Of er ook verschillen zijn bij de begeleiding van internetten door vaders en moeders is niet bekend. Wel weten we uit het SCP-onderzoek dat vaders meer betrokken zijn bij het oplossen van problemen met de computer en bij het installeren van filters en andere technische applicaties. Dat moeders hun kinderen vaker begeleiden bij gamen en tv-kijken komt mogelijk doordat zij in het algemeen meer bezorgd zijn over invloeden van de media dan vaders. Die zorg vertaalt zich ook in de verschillende begeleiding van jongens en meisjes. Bij meisjes zijn ouders meestal meer geneigd om het televisiekijken, internetten of gamen in de gaten te houden dan bij jongens.
Ouders zijn ook meer geneigd om het mediagedrag van jonge kinderen te begeleiden dan van oudere kinderen. Naarmate de kinderen ouder worden en zeker als zij over een eigen tv-toestel beschikken neemt de ouderlijke bemoeienis bij het televisiekijken snel af. Er wordt minder vaak samen gekeken, er zijn minder regels en ouders bespreken minder vaak wat er op televisie te zien is met hun kinderen. Hetzelfde geldt voor het gamen en internetten. Naarmate kinderen ouder worden zijn zij steeds autonomer in hun keuze van games, krijgen ze minder commentaar en wordt er ook minder vaak bewust samen gespeeld of gesurft.
In diverse studies is gevonden dat hogeropgeleide ouders het televisiekijken van hun kinderen meer in de gaten houden en vaker met hun kinderen over tv-programma's praten. Bij het gamen bleek dat patroon juist andersom: minder hoogopgeleide ouders bemoeien zich wat vaker met het spelgedrag van hun kinderen dan hoogopgeleide ouders (Nikken en Jansz 2006). Mogelijk komt dit doordat het gamen in lageropgeleide gezinnen meer gemeengoed is voor ouders en kinderen dan in hogeropgeleide gezinnen.
In een recent onderzoek onder circa tweehonderd Nederlandse ouders en hun kinderen van 10 tot 14 jaar bleek eveneens dat het opleidingsniveau van de ouders een doorslaggevende factor vormt voor hun mediaopvoeding (Van den Berg e.a. 2010). De onderzoekers typeren de ouders op basis van hun surfgedrag en hun ervaring met de media als:
De roekeloze prosumenten verdienen veel aandacht, omdat zij relatief weinig aan mediaopvoeding doen terwijl zij - evenals hun kinderen - wel veel gebruik maken van de media.